Trip

Hoe koe hoe schaap hoe gras hoe plas hoe boom hoe loom hoe gaap hoe slaap hoe droom hoe toeneen zoen
 
signbot(1)

Advertenties

De ontmoeting

Het was alsof er een dode hoek –zonder angst voor botsingen, waaraan gewoon voorbijgelopen werd, voor hem was opgezet. De enkeling die hem wel zag, omzeilde door te blijven staan en liet de kolos langs denderen.
Ik had hem niet herkend. Aan hetzelfde vlees en bloed was elke gelijkenis bezweken.
Hij hield mij staande door voor me te gaan staan; noemde mijn naam zoals vroeger. De grond nagelde me vast terwijl ik koortsachtig naar bekende trekken zocht. Omdat ik wist wie hij was maar het niet zag.
Ooit was hij te zwaar voor mijn lamme kinderarmen en gutste de zure lucht van opgeboerde babymelk op mijn smalle schouders. In de voorjaarslucht van nu kroop de geur van drank die waterig blauw en rood dooraderd in zijn ogen stond gebrand en die zijn gezichtshuid paars had opgezwollen.
We hadden ons uit het nest laten vallen, hij en ik, maar waren elkaar op weg naar beneden, kwijtgeraakt.
Ik deed verheugd en verrast, ook om mijn verwarring te ontkennen. Mond vol as. Hoofd vol schuim.
Het was alsof die dag zichzelf verzonnen had in een toneelstuk waarin de rollen nog niet waren verdeeld, zelfs niet geschreven. De acteurs kenden elkaar, hetzij oppervlakkig, hetzij uit een verwaterd contact. Ze tastten elkaar af. Hoe gaat het met je? (2x) Goed.(2x) Dat bijna gelijktijdig.
Andere woorden waren te groot geworden. Een tekst die door de voorgaande keren heen wel honderden malen werd gerepeteerd, werd vermeden in het daadwerkelijke moment. Elk woord woog, er mocht geen angst, geen liefde en geen verwijt in doorklinken. En vooral geen verleden. Elke aarzeling ging niet verder dan: Hoe gaat het met je?
Ik struikelde over een wanhopige tong die in alle toonaarden zweeg om elke emotie te dempen. Als hij een deur had die hij dicht kon doen, barricadeerde hij die met zorgvuldig dichtgetimmerde latten en maakte de ramen onzichtbaar. Hij liet zijn rug al doorschemeren in een halve draai. Hij had me gezien, dat was genoeg.
Ik had ontelbare malen gedroomd dat ik hem in een verouderd krantenbericht had gevonden. Een onaanraakbare dood, al begraven. Hij stierf zichzelf langzaam uit in drank terwijl hij zich voor jaren spoorloos uit de voeten maakte tot hij weer ergens opdook en alleen het toeval voor een kleine ontmoeting zorgde. Want meer was het nooit. Maar nu leefde hij weer even voor me in een scenario van twee zinnen. Hoe gaat het met je? Goed.

Di Storia 'Timelapse'  Soli 2013

Een concept van toeval

di-storia-regenraam-solidianne

Er is nog een plekje vrij. Een drukbevolkte trein. Tegenover de plaats waar ik inschuif, leest een man een boek. Hij kijkt even op voordat hij weer zijn letters zoekt.
Ik kijk naar buiten. Loodgrijze lucht. Een miezerige regen heeft zich aan jassen vastgeklampt. Het ruikt bedompt. Het tl-licht in de trein spiegelt in het raam alsof het zonlicht oproept en waar het langsglijdende landschap een glimp van opvangt.
De man met het boek tegenover mij praat in zichzelf. Onverstaanbare zinnen.
Misschien herhaalt hij de zinnen uit het boek, isoleert ze met zijn stem om ze in zijn hoofd te kunnen bewaren.
Naast hem staat een bruingebloemde reistas die zijn beste tijd heeft gehad. De stof is vaal en rijmt niet met de chiquere uitstraling van de eigenaar: zwart pak, een betere snit, wit overhemd, met nonchalant de bovenste twee knopen open. Maar op de pijpen van zijn pantalon zitten ondefinieerbare doffe plekken. Ze lijken op de snotvlekken op de mouwen van mijn kind.
Dan trilt mijn telefoon. Een nieuw bericht: Goede reis en veel plezier, hou van jou. x
Ik glimlach.
Hij prijst zich gelukkig, zegt de man tegenover mij. Ik kijk hem perplex aan, maar hij laat mijn blik onbeantwoord, verdiept in zijn boek. Toeval dat hij net zo’n opmerking plaatst, alleen niet tegen mij.
Jawel, zegt de man, niet tegen mij: Het toeval bestaat niet.
Alsof hij zijn woorden kracht wil bijzetten, tikt hij met zijn schoenen op de vloer. De bruine leren neuzen raken mijn tenen. Ongemakkelijk verplaats ik mijn voeten. De lezende man schijnt mij niet op te merken. Of doet alsof.
Ik lach verbijsterd en schuif mijn telefoon open om het bericht te beantwoorden en te vertellen van de man tegenover mij. Ik kan het bericht niet meer vinden.
De man grinnikt en staat op. Snotvlekbenen en een vale tas wringen zich langs mijn peinzen.
Zijn boek is geopend blijven liggen.
Buiten breekt de zon door het grijs. De bladzijden lichten hagelwit op, onthutsend leeg…

ds