Pleisterplaats

  Het zijn haar handen, eilanden. 
  Pleisterplaatsen, waarop ik op een vinger 
  slenter. Ontdek, natrek. Zwerf 
  over donkeroude plekjes, 
  een doolhof van ragfijne lijnen, 
  de kalme rivieren die even geheimzinnig 
  verdwijnen bij het rugwaarts glijden. 

  Ik reis een leven lang 
  in de herinnering van haar huid 
  wissen haar sporen langzaam uit; 
  kruipt bloed waar het niet gaan kan 
  om op mijn handen 
  te verschijnen, samen 
  met een slenterkind. 

  ds© 

Di storia, Pleisterplaats, Soli 2014

 
 
 
 

De ontmoeting

Het was alsof er een dode hoek –zonder angst voor botsingen, waaraan gewoon voorbijgelopen werd, voor hem was opgezet. De enkeling die hem wel zag, omzeilde door te blijven staan en liet de kolos langs denderen.
Ik had hem niet herkend. Aan hetzelfde vlees en bloed was elke gelijkenis bezweken.
Hij hield mij staande door voor me te gaan staan; noemde mijn naam zoals vroeger. De grond nagelde me vast terwijl ik koortsachtig naar bekende trekken zocht. Omdat ik wist wie hij was maar het niet zag.
Ooit was hij te zwaar voor mijn lamme kinderarmen en gutste de zure lucht van opgeboerde babymelk op mijn smalle schouders. In de voorjaarslucht van nu kroop de geur van drank die waterig blauw en rood dooraderd in zijn ogen stond gebrand en die zijn gezichtshuid paars had opgezwollen.
We hadden ons uit het nest laten vallen, hij en ik, maar waren elkaar op weg naar beneden, kwijtgeraakt.
Ik deed verheugd en verrast, ook om mijn verwarring te ontkennen. Mond vol as. Hoofd vol schuim.
Het was alsof die dag zichzelf verzonnen had in een toneelstuk waarin de rollen nog niet waren verdeeld, zelfs niet geschreven. De acteurs kenden elkaar, hetzij oppervlakkig, hetzij uit een verwaterd contact. Ze tastten elkaar af. Hoe gaat het met je? (2x) Goed.(2x) Dat bijna gelijktijdig.
Andere woorden waren te groot geworden. Een tekst die door de voorgaande keren heen wel honderden malen werd gerepeteerd, werd vermeden in het daadwerkelijke moment. Elk woord woog, er mocht geen angst, geen liefde en geen verwijt in doorklinken. En vooral geen verleden. Elke aarzeling ging niet verder dan: Hoe gaat het met je?
Ik struikelde over een wanhopige tong die in alle toonaarden zweeg om elke emotie te dempen. Als hij een deur had die hij dicht kon doen, barricadeerde hij die met zorgvuldig dichtgetimmerde latten en maakte de ramen onzichtbaar. Hij liet zijn rug al doorschemeren in een halve draai. Hij had me gezien, dat was genoeg.
Ik had ontelbare malen gedroomd dat ik hem in een verouderd krantenbericht had gevonden. Een onaanraakbare dood, al begraven. Hij stierf zichzelf langzaam uit in drank terwijl hij zich voor jaren spoorloos uit de voeten maakte tot hij weer ergens opdook en alleen het toeval voor een kleine ontmoeting zorgde. Want meer was het nooit. Maar nu leefde hij weer even voor me in een scenario van twee zinnen. Hoe gaat het met je? Goed.

Di Storia 'Timelapse'  Soli 2013