Het ei van Louis

Di Storia, Het ei van Louis, Soli 2014Elke zondag, om exact twaalf uur, deden wij aan gewoonte of traditie, als je het zo noemen wilt. Dan werden wij verwacht bij Louis.
Ik ben naar hem vernoemd: Louisa.
Louis woonde in een piepkleine flat op de eerste verdieping. Het rook er naar sigaretten, verschraald bier en lang getrokken soep, soms naar gestoofd konijn met azijn en uien. En een enkele keer naar verbrand gestoofd konijn met azijn en uien.
De voorkamer, achter de schuifdeuren, was eentonig ingericht met een mosgroen bankstel, twee dito stoelen, een dressoir en een formica tafel. Er hing geen sfeer, geen gezelligheid en hoewel we er iets van probeerden te maken, ik zie ik zie wat jij niet ziet, waren we daar snel uitgekeken. Het bleef een kille ruimte zonder ziel.

In de achterkamer was het pret. Daar stond het blauw van de rook, werd bier, zoete witte wijn en kleurstofgele frisdrank geschonken en op het transparante plastic tafelkleed lag een plankje met worst en kaas. Dat was de avond van tevoren klaargemaakt en had onder aluminiumfolie in de ijskast gestaan.
Bij binnenkomst, via het halletje naar de achterkamer, moesten wij onder de schreeuwarend door, vastgetimmerd op een houten plankje. Louis had de vogel na de oorlog uit Duitsland meegenomen. De arend had een wijd opengesperde kleine snavel, gespreide, immense vleugels en spiedende, gemene kraalogen. Als je goed luisterde, kon je hem nog horen schreeuwen:
Kyek, kyek, kyek
Het was voor mij een hoge drempel om over te gaan. Maar ook Louis spiedde naar ons, op de drempel onder de roofvogel. De vrouwelijke familieleden werden, zonder uitzondering, stevig tegen hem aangetrokken en daarbij vol op de mond gezoend. Niemand zei er wat van of duwde zich langs Louis over de drempel heen. Het leek wel een traditie van ontelbare lange seconden waar geen ontkomen aan was. Ik hield mijn lippen stijf op elkaar en boog mijn lichaam naar achter om zijn aanraking het minst te voelen.

Elke zondag was de eettafel met het plastic vergeelde tafelkleed het kleine middelpunt van de familie. Volle bak. Louis zat aan het midden van de tafel, zijn vaste plek, bij de ketel soep of het zure konijn.
Oom Ben was er ook altijd. Oom Ben kwam soms op zijn paard dat hij met de teugels aan de reling van het balkon vastmaakte. Het mocht niet, maar wij konden, staand op een bierkrat, via het balkon op de rug van het dier klimmen en verzonnen lange tochten.

Op een zaterdag lag een ei op de grond, onder de schreeuwarend. Louis had het opgeraapt en op het plastic tafelkleed gelegd.
Hij had ons op zondag, om twaalf uur precies, binnengelaten. Tegen zijn gewoonte in, had hij ons niet opgewacht en ongewenst omkneld bij de doorgang naar de woonkamer, maar was weer aan tafel gaan zitten. Dat was vreemd, maar de opluchting overheerste zo dat we er niet lang bij stilstonden.
Wij zagen het gebarsten ei onmiddellijk liggen, wit, getekend met roodbruine en grijze vlekken. Eigeel lag gestold op het plastic.
Er was geen soep, geen konijn in azijn en uien, geen kaas en geen worst. Alleen een ei dat ons vlekkerig aankeek op het middelpunt van de tafel. Wij namen het als vanzelfsprekend aan, roofvogels leggen eieren en dat het hier een opgezette roofvogel betrof, hadden we toch al niet geloofd: het beest was levensecht.
Onze ouders keken bezorgd en spraken met elkaar af. Niet bij Louis.
Louis zelf was ervan overtuigd dat zijn einde nabij was. Het eerste ei was een aankondiging van zijn naderende dood. De vogel moest weg.

De daaropvolgende zondag staarde een grijze lege plek ons aan. In het plafond zat een gat. Dat was op zijn minst vreemd, omdat er nog twee verdiepingen boven Louis’ flat waren. Er lagen nu drie gebroken eieren op tafel. Twee waren er uit het gat van het plafond komen vallen, zei Louis. Maar het huis rook naar soep en het plankje met worst en kaas stond klaar op tafel. Louis leek springlevend, al was hij wat stiller sinds het eerste ei en had hij zijn zoenende knelbegroeting ook ditmaal achterwege gelaten.
Onze ouders negeerden de eieren en het gat in het plafond. Het werd bijna een zondag als vanouds.
Na die tweede zondag werden de muren gewit, het plafond dichtgeplamuurd en de inmiddels rottende eieren weggegooid. Onze ouders spraken nergens meer over, ook niet buiten Louis om. Ze leken opgelucht. Oom Ben had de teugels losgemaakt van de balkonreling en we mochten om de beurt op de rug van het paard voor een ritje door de wijk.

De derde zondag bleef de deur gesloten, werden wij naar huis gestuurd en lag Louis in bed. Hij zag eruit alsof hij sliep, zei mijn moeder later. Op het fornuis stond een pan soep, in de ijskast de gesneden kaas en worst, afgedekt met aluminiumfolie.
De uitvaart was druk met alleen al honderdvijftig familieleden en een buitengewoon grote kennissenkring. Toen Louis’ kist in het graf zakte, moest ik huilen.

Leven gaat door voor de levenden, familie valt uit elkaar zonder de vaste bijeenkomsten.
Ik werd volwassen, trouwde, kreeg kinderen, scheidde, en Louis was nog maar af en toe in mijn gedachten. Vooral als ik soep rook of konijn met uien in azijn.
Toen ik eens, bij mijn ouders op bezoek, het voorval met de eieren aanhaalde, en zei dat Louis toch gelijk had gekregen door dood te gaan, keken zij alsof ze water zagen branden. Ik had dat gedroomd, zei mijn moeder stellig.
Misschien is mijn kinderfantasie wel op de loop gegaan met die akelige vogel boven de woonkamerdeur. Toch is het vreemd dat, toen ik met mijn lief foto’s ging maken op de oude begraafplaats, en waar ik het graf van Louis nog steeds niet heb teruggevonden, ik uit de bomen een geluid hoorde dat me sterk aan vroeger deed denken: kyek, kyek, kyek…   Mijn lief hoorde niks.

Soli 03-‘14

 
 

De erfenis

 
Di Storia, Kat, Soli

Zijn dood was slechts een kleine schok voor me. Ik mis hem, maar verdriet heb ik niet. Eerlijk gezegd ben ik vooral blij dat ik er niet bij ben geweest. Hij is tussen andere benen gestorven; gelukkig niet tussen die van mij.
Dat hij meerdere bedgenotes had, heb ik altijd geweten. Het kon me niet schelen, er was geen liefde tussen ons. Ik viel voor zijn charme en zijn enthousiasme.
Het was uiteraard het geijkte verhaal: oudere hoogleraar gaat vreemd met studente. Maar hij was een goede minnaar, ervaren en gul. Dat was ik wel anders gewend. Hij gaf me het gevoel dat ik de enige was tussen zijn veroveringen. Ik speelde mee, profiteerde van zijn kennis. En van zijn viriliteit.

Het is een grotere schok als zijn weduwe belt, vijf weken na zijn dood. Ze vertelt dat ik ben bedacht in de nalatenschap. Ze wil me zien.
Volgens hem had ze van zijn buitenechtelijke avonturen geweten. Zo klinkt ze ook: een rustige stem die me beleefd toespreekt, geen hysterie van een bedrogen echtgenote.
Ik ben nieuwsgierig. We spreken af bij haar thuis.
Hij sprak over haar als een doortastende onafhankelijke vrouw. De reden van hun verstandshuwelijk, zoals hij het bijna achteloos noemde, heb ik nooit geweten. Ik heb er een keer naar gevraagd, maar hij omzeilde en verleidde. Ik liet hem in zijn ‘handigheidje’. Het interesseerde me ook niet echt.

Ze is het tegenovergestelde van wat ik me had voorgesteld. Op de een of andere manier zag ik haar als een struise blondine, ouder dan hij. De kleine, frêle vrouw die voor me staat, is, schat ik, maar een paar jaar ouder dan ik. Haar donkere haar hangt in losse krullen uit een slordig bij elkaar gebonden knot. Ze heeft een aparte kleur ogen, tussen groen en bruin, er staat een felle woede in te lezen. Haar neus en mond zijn gezwollen, haar huid is rood en vlekkerig. Onmiskenbaar van het huilen.
Ik zie hoe ze mij net zo monstert als ik haar.
Je zit in zijn stoel, zegt ze vinnig als ik ben gaan zitten in een gemakkelijk uitziende fauteuil, die verder nogal uit de toon valt bij de designinrichting. Ik wil opstaan, maar ze bijt me toe dat het nu niks meer uitmaakt. Ze zal wijn voor me halen, ze is zelf ook aan een glas toe, zegt ze. Ik draai onrustig op mijn zitplaats.

Op de vensterbank huizen vijf identieke katten, doodstil, alsof ze zijn opgezet.
Een kleine hond, een buldog, die mij eerder niet was opgevallen, maakt zich los uit een hoek van de kamer. Hij springt achter mijn rug in de stoel, wringt zich naar voren en likt uitbundig mijn hals. Ik houd in een reflex mijn hand voor mijn mond. Net op tijd.
Ik heb niet veel met honden, hij had dat ook niet, als ik me goed herinner. Ik ben dan ook verbaasd er hier een aan te treffen. Het beest is sterk en laat zich niet wegduwen. Hij snorkt harder in zijn biedende weerstand en kwijlt op mijn blouse.
Ach, zegt de weduwe als ze binnenkomt met een fles witte wijn – tussen de vingers van haar linkerhand hangen de stelen van twee glazen – Hij is nog steeds verliefd op je.
Ik probeer mijn gezicht in de plooi te houden. Ze is gek. Ze projecteert haar verdriet op de buldog!
Een van de ‘opgezette’ katten komt van de vensterbank, geeft kopjes langs mijn benen.
De vrouw sist: Ga op je plaats! De kat druipt af, met de staart tussen de poten, en springt terug naast de andere katten. Dat kan nog leuk worden. Een kat die zich gedraagt als een hond en een hond die voor haar man wordt aangezien.
De wijn is wrang, mijn mond trekt er van samen.
Laten we op hem proosten , zegt ze, en op zijn goede smaak qua vrouwen.
De term goede smaak is zeker niet op de wijn van toepassing, denk ik, terwijl ik hoop dat zich niets van mijn gezicht laat aflezen. De weduwe roept de buldog, die op haar voeten gaat liggen. Hij houdt zijn blik op mij gericht, volgt mijn bewegingen met droeve ogen.

Ik voel me ongemakkelijk in de stoel van mijn dode minnaar, in zijn woonkamer waar zijn woeste weduwe tegenover me zit, met een gepersonaliseerde hond, en katten die zich gedragen als een geslagen hond.
Waarom ik het pikte?, zegt ze, terwijl ze me doordringend aankijkt: Hij was alles wat ik niet durfde dromen. Ik hield, ze stopte abrupt en verbeterde: houd van die man, bevreesd dat hij bij me weg zou gaan als ik zijn affaires niet verdroeg. Ik deed alsof ik het hem gunde, waardoor hij steeds overmoediger werd en over jullie vertelde. Hij noemde namen en wie er speciaal voor hem was. Jij viel onder de speciale categorie.
Onbewust zal ik hebben geglimlacht, want ze sneert: Haal dat van je gezicht! Voor jullie was het een spel, jullie krolse katten. Jullie krabden zijn jeuk. Elke keer wat meer nagels in zijn vel, totdat hij morsdood neerviel. En wat bleef er voor mij over? Een lijst met zes namen in zijn testament en zijn wens om jullie iets te overhandigen.
Ik neem snel een grote slok van de wrange wijn. Ik zou willen opstaan, mij moeten excuseren tegenover deze vrouw die zichzelf vernedert, en naar huis gaan. Maar ik ben ook nieuwsgierig naar wat hij mij heeft nagelaten. Ik blijf zitten en drink.
De wijn went. De hond jankt. Plotseling kijkt hij me strak aan en springt recht voor me. Zijn tanden blikkeren en hij gromt als een bezetene. Ik voel hoe alle haartjes van mijn lijf reageren, hoe de rilling van mijn rug naar mijn nek gaat en de huid op mijn schedel samentrekt. Ik wil weg, maar mijn benen weigeren dienst. Verstijfd wacht ik de beet af die hij me zeker gaat toedienen. De vrouw roept: Ga af! Maar de hond wijkt niet.
Ze staat langzaam op, komt naar me toe, maar trekt de hond niet opzij. Ze legt haar hand op mijn schouder. Ik krom mijn rug. Ze streelt mijn wang, gaat met een vinger langs mijn mond, mijn sleutelbeen en mijn borst. Het grommen gaat over in janken, Ik houd mijn adem in. De angst vloeit weg onder haar aanraking en ik voel hoe ik geniet: spin…


ds

 

Een concept van toeval

di-storia-regenraam-solidianne

Er is nog een plekje vrij. Een drukbevolkte trein. Tegenover de plaats waar ik inschuif, leest een man een boek. Hij kijkt even op voordat hij weer zijn letters zoekt.
Ik kijk naar buiten. Loodgrijze lucht. Een miezerige regen heeft zich aan jassen vastgeklampt. Het ruikt bedompt. Het tl-licht in de trein spiegelt in het raam alsof het zonlicht oproept en waar het langsglijdende landschap een glimp van opvangt.
De man met het boek tegenover mij praat in zichzelf. Onverstaanbare zinnen.
Misschien herhaalt hij de zinnen uit het boek, isoleert ze met zijn stem om ze in zijn hoofd te kunnen bewaren.
Naast hem staat een bruingebloemde reistas die zijn beste tijd heeft gehad. De stof is vaal en rijmt niet met de chiquere uitstraling van de eigenaar: zwart pak, een betere snit, wit overhemd, met nonchalant de bovenste twee knopen open. Maar op de pijpen van zijn pantalon zitten ondefinieerbare doffe plekken. Ze lijken op de snotvlekken op de mouwen van mijn kind.
Dan trilt mijn telefoon. Een nieuw bericht: Goede reis en veel plezier, hou van jou. x
Ik glimlach.
Hij prijst zich gelukkig, zegt de man tegenover mij. Ik kijk hem perplex aan, maar hij laat mijn blik onbeantwoord, verdiept in zijn boek. Toeval dat hij net zo’n opmerking plaatst, alleen niet tegen mij.
Jawel, zegt de man, niet tegen mij: Het toeval bestaat niet.
Alsof hij zijn woorden kracht wil bijzetten, tikt hij met zijn schoenen op de vloer. De bruine leren neuzen raken mijn tenen. Ongemakkelijk verplaats ik mijn voeten. De lezende man schijnt mij niet op te merken. Of doet alsof.
Ik lach verbijsterd en schuif mijn telefoon open om het bericht te beantwoorden en te vertellen van de man tegenover mij. Ik kan het bericht niet meer vinden.
De man grinnikt en staat op. Snotvlekbenen en een vale tas wringen zich langs mijn peinzen.
Zijn boek is geopend blijven liggen.
Buiten breekt de zon door het grijs. De bladzijden lichten hagelwit op, onthutsend leeg…

ds

Hallo Jumbo?

Boodschappen doen is niet mijn favoriete bezigheid en al helemaal niet bij mijn buurtsuper. Smalle gangpaden waarbij je struikelt over dozen, karren en saggerijn van de jonge vakkenvullers. Regelmatig val ik in de ruzies en in het kleineren, lees: pesten, tussen het personeel en in het gesnauw naar de klanten. Mijn openvallende mond lijkt die van hen niet te sluiten en de manager, die vaak op enkele meters afstand hetzelfde werk doet, lijkt doof te zijn voor ‘zijn kinderen’.
Dat is wat ik regelmatig meemaak en mijn weerstand wordt steeds groter.
Maar goed, winkel Ellende ligt op loopafstand en ze hebben alles. Tenminste, als het wordt bijgevuld. Ik grijp regelmatig mis. En de dag erna weer en de dag daarna ook. Dan zou je bijna denken dat, bijvoorbeeld, de goedkopere favoriete huismerkkoffie uit het assortiment verdwenen is. Want als het tactiek is om de veel duurdere merken te slijten, die wel altijd in groten getale aangevuld worden, hebben ze aan mij een slechte. Dan ga ik wel ergens anders heen.
In de gelijknamige super in het centrum grijp ik nooit mis; val ik ook nooit in een ruzie en lijkt het personeel ook ouder te zijn; in ieder geval vriendelijker. Alleen woon ik in een buitenwijk en dat betekent dat ik langer moet zeulen en met mijn zware boodschappentassen de stadsbus moet nemen. Ik ga dus helaas vaker naar buurtsuper Ellende maar wacht zo lang mogelijk, tot mijn keukenkast en ijskast echt bijna leeg zijn, maak een lijst, grijp een winkelwagen en sta na een klein half uur weer oververhit buiten, want boodschappen doen in een recordtempo is minder erg. Jammer dat ik daardoor minder naar de andere artikelen kijk?

Met Pinksteren ben ik jarig en heeft J. als verrassing een tweedaags reisje geboekt. Met mijn verjaardag zijn we terug, komen mijn moeder, zus, kinderen en vierjarig kleinkind, maar dan zijn de winkels dicht. Dus race ik door super Ellende en koop tevens taarten en soezen uit het vriesvak, lekker en gemakkelijk te bewaren.
Ons reisje is heerlijk en als we voor mijn verjaardag laat terugkomen, zet ik de taarten alvast in de ijskast zodat ze langzaam kunnen ontdooien.
Maar dan, de dag erna, bij het aansnijden van de taart, valt mijn oog op de datum, vol ongeloof.
Maar het is echt: ik heb een taart gekocht, op 17 mei 2013, die ruim een half jaar, 22 november 2012, over datum is! En wat dat erger maakt, is dat er zuivel in zit.
Maar wat als ik dat niet gezien had en taart aan mijn kleinkind en mijn moeder had voorgeschoteld? Ik moet er niet aan denken wat een voedselvergiftiging zeker bij hen had kunnen teweegbrengen.
En zo heb ik dan ook ineens gebak te weinig na alle boodschappenvoorbereiding. Fijn!

De dinsdag na Pinksteren sta ik, met taart en kassabon, bij de klantenservice van Ellende.
‘Oh’, zegt de medewerkster die de doos aanneemt, en: ‘Dat is wel vreemd, ja.’
Ze zal het uitzoeken. Ik krijg mijn geld terug, zonder excuus en dat gaat me net iets te ver na risico en ongemak, dus ik vraag naar een bloemetje; ook omdat ik weet dat de super dat doet na een klacht. Haar gezicht wordt rood en haar ogen verschieten naar boos. Daar gaat de manager over, zegt ze bits en ik kan hem niet te spreken krijgen vanwege een vergadering. Ze zal mijn telefoonnummer doorgeven en hij zal me vandaag nog bellen. Nadat ik haar vraag of ik daar op aan kan, want eigenlijk geloof ik dat helemaal niet, zegt ze dat ik daar uiteraard op kan rekenen.

Natuurlijk word ik niet gebeld en een week later nog niet. Klanten die ‘zeuren’ moet je negeren, dan houden ze vanzelf wel op, denk ik cynisch. En bij die gedachte word ik zo pissig dat ik het opmerkingenformulier van de Jumbo consumentenservice gebruik. Ik moet de vestiging Ellende aangeven in een veldje, plus mijn gegevens en telefoonnummer.
Een halve minuut later krijg ik een bevestigingsmail dat mijn opmerking is aangekomen en dat ik zo spoedig mogelijk antwoord krijg. In de mail staat een link waarbij ik mijn status kan opvragen en dat doe ik dan ook, een paar dagen later:

‘Aan Soli:
Helaas hebben wij nog geen antwoord op uw eerdere reactie/vraag. Maar we zijn u niet vergeten! Uw reactie is nog in behandeling bij één van onze collega’s. U hoort zo spoedig mogelijk van ons.
De huidige medewerker, die uw vraag bij ons in behandeling heeft, is: Filiaalmanager ‘Puntje Puntje’ van het filiaal ‘Ellende’. Uw vraag heeft het volgende Meldingsnummer: xxxxxxxx
Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn en zullen z.s.m. weer contact met u opnemen.
Met vriendelijke groet,
Consumentenservice Jumbo Supermarkten’

Oh, zo gaat dat? Je vult het filiaal in om het rechtstreeks naar winkel Ellende door te sturen?…
Daar ga je echt niks van horen, zegt mijn cynische ik, maar mijn: ik-geloof-in-de-mensen-ik, is er ook en denkt: Ter excuus tevens een nieuwe taart bij de bloemen!
Maar de manager van Ellende belt niet. Ik vind het geen verrassing. Na twee weken heb ik er genoeg van en vul op een avond het opmerkingenformulier opnieuw in, met een tweede opmerking, namelijk het negeren van een klacht. De vestiging van Ellende tik ik niet in het veldje maar doe ik er los bij.
De ochtend daarna heb ik al antwoord:

‘Geachte mevrouw,
Nogmaals wil ik u danken voor uw reactie.
Van de filiaalmanager van Jumbo Ellende aan de (…) heb ik vernomen dat u het gebak vergoed heeft gekregen en een bos bloemen ter excuses heeft ontvangen.
Graag vernemen we van u waaraan u denkt om het alsnog met u op te kunnen lossen. Onze collega’s van Jumbo Ellende aan de (…) zijn op de hoogte gebracht van deze melding.
Voor verdere afwikkeling willen we u vragen contact op te nemen met de filiaalmanager van deze Jumbo.
Met vriendelijke groet,
Jumbo consumentenservice’

Ik ben verbijsterd en moet ook lachen om deze idioterie. Wat een jokkebrok! Moet ik naar hém toe om hem zijn onverschillige brok onder zijn neus te wrijven? Dacht het niet! Want IK hoef dit niet op te lossen!
Ik stuur opnieuw een mail naar de consumentenservice met mijn adresgegevens voor de bos bloemen die ik na gevaar, ongemak, negeren en leugen wil ontvangen.
Het antwoord en de bloemen zijn tot nu toe niet aangekomen. Ik geloof er ook niet meer in. En heb, sinds ik met de taart terug ben gegaan, geen voet meer in de winkel gezet. En met mij ook een aantal mensen die hun vertrouwen niet echt zagen opgekrikt na mijn verhaal. En eigenlijk hoef ik ook geen bloemen meer na al dit. Ze zijn al over datum! Maar ik zou wel willen weten waarom een giftige monchoutaart helemaal vooraan staat? En waarom de consumentenservice van de Jumbo, consumentenservice heet?

Gisteren kwam er, via via, een openbaar Facebookbericht van winkel Ellende naar boven. Ongelooflijk. Ik ben bijna geneigd hier wel in te geloven. Facebook Jumbo Supermarkten zegt echter dat het waarschijnlijk om een neppagina gaat, want niet de bedoeling. Wat een understatement…
De pagina is er nog. Het bericht is bij hen weggehaald, en ook de vraag of ze hier een antwoord op willen geven…
Negeren is toch de beste oplossing?
Ondertussen ruziën de Jumbokinderen verder en krijgen ze van ‘Jumbo pa’ af en toe een standje over wat ze nu weer op Facebook hebben gezet.

Jumbo op Facebook






















Oud, Nieuw en schuurpapier

Di Storia, Onder de tafel, Soli

Steevast vierde mijn familie Oud en Nieuw met een Italiaans diner en veel vino en Grappa. Het nieuwe jaar was net begonnen. Het was mijn elfde verjaardag, maar daar stond, zoals elke keer, niemand bij stil.
Ik zat onder de tafel met Angelo, mijn neefje van vijf. Hij sliep op een kussen. Ik had mijn vest over hem heen gelegd. Hoe hij door al dat lawaai heen kon slapen, was mij een raadsel. Buiten knalde het vuurwerk, maar bij ons ging niemand de deur uit.
Ik zat graag onder de tafel, vooral bij een familiebijeenkomst als deze. Zo kon ik alles goed zien en viel niemand mij lastig met hun kleffe liefkozingen. Tante Maria zoende nat. Ik griezelde van de haren op haar kin. Tante Lola kneep me te hard in mijn wangen en tuitte overdreven haar mond voor een harde smakzoen op mijn oor. En oom Rico kuste vol op mijn mond: Kom, kom, riep hij dan, terwijl hij over mijn billen wreef en me hard tegen zich aandrukte: we zijn toch familie!
Bij de gedachte alleen al krijg ik nog kippenvel.

Oom Guido was op een stoel gaan staan. De zit boog door en het hout kraakte vervaarlijk. Iemand, ik denk oom Rico, riep: Discorsi, speeche. Hij tikte met een lepeltje op een glas. Jaar in, jaar uit verhaalde oom Guido over hun jeugdjaren in Albareto. Het was voorspelbaar saai.

Ik kroop wat verder naar de hoek. Daar had ik beter zicht op oom Rico en tante Tina. Oom Rico had zijn hand op tante Tina’s achterwerk gelegd en kneep erin alsof hij deeg kneedde. Zijn gezicht was rood aangelopen. Tante Tina deed net alsof ze niets merkte. Ze keek met een uitgestreken gezicht naar oom Guido die maar bleef zeuren over alles dat altijd en eeuwig voorbijging.
Ik draaide me om en zag oom Giovanni, de man van tante Tina, de ene na de andere Galliano achteroverslaan; zijn blik strak op oom Rico gericht. Ha, dat werd vechten straks. Dat gebeurde altijd.
Oom Giovanni kneep zijn knokkels wit en nam nog een glas. Ik zat gespannen op mijn knieën.
Tante Tina deed nog steeds alsof ze niets van het billenkneden merkte. Oom Rico had bij die handeling zijn ogen dichtgedaan, straaltjes zweet liepen van zijn voorhoofd.

De hond werd de overdaad aan vuurwerk teveel. Hij kroop jankend bij ons onder de tafel. Ik duwde hem neer want kon niets meer zien. Oom Giovanni kwam al naar voren. Ik zoog mijn adem in. Oom Rico kreunde, draaide met zijn ogen en viel achterover. Ik begreep er niks van: oom Giovanni had hem nog niet eens aangeraakt.
Tante Tina gilde, ik nog harder, want onder de tafel had ik recht zicht op oom Rico; ik zat zo’n twintig centimeter van hem vandaan! Zijn ogen staarden omhoog. Zijn gezicht was paarsrood en uit zijn mond liep een straaltje zever met naast zijn hoofd een sliert bloed.
Mijn hart klopte in mijn keel. Ik griezelde, maar toch moest ik blijven kijken!
Tante Maria riep om een dottore en mijn moeder telefoneerde om een ambulance, wat ik niet snapte want iedereen kon zien dat mijn oom morsdood was!
De hond snuffelde even aan het hoofd van oom Rico en begon te huilen als een wolf. Mijn moeder werd er gek van. Ze zette haar nagels in zijn haren en sleepte de jankende hond naar de keuken. Angelo sliep gewoon door.
Oom Giovanni zat op de grond, hij keek dwars door me heen.
Tante Maria zei dat het maar goed was dat oom Rico geen vrouw en kinderen had. Ik dacht eerst dat ze dat lief bedoelde, maar toen zei ze dat hij veel geld had en dat dat dan mooi opgesplitst kon worden. Tante Tina sloeg haar met platte hand in het gezicht, op die baardharen, en zei met snerpende stem dat oom Rico net dood was en zelfs nog niet onder de grond. Iedereen schreeuwde door elkaar heen.

Intussen wist ik mijn blik niet af te wenden van oom Rico. Ik kon hem zo aanraken als ik wou, ik wou niet. Ik had nog nooit een dode gezien en nu kreeg ik er een voor mijn verjaardag. Bij die gedachte moest ik giechelen.
Zou hij helemaal niets meer horen of zien? Misschien stond hij wel een eindje verderop als geest en zag zichzelf liggen. Zou hij dan weten dat hij dood was of zou hij zich doodschrikken? Ik lachte weer en beet hard op mijn lip om die te onderdrukken, omdat ik me voor mijn bizarre gedachten schaamde.

Ik hoorde de sirenes van de ambulance. De dokter kwam ook binnen, samen met een politieagent.
Tante Maria informeerde de agent, haar Nederlands doorspekt met Italiaans; ik begreep niet dat hij dat allemaal verstond. De arts onderzocht oom Rico. Hartaanval, zei hij en vulde formulieren in. De ambulance ging weer weg. Tante Tina riep dat we deze datum nooit meer zouden vergeten: Hoe kunnen we nu ooit nog oud en nieuw vieren?
Oom Rico werd door de lijkwagen opgehaald. Mijn familie was eindelijk stil, behalve tante Tina.

Tante Lola trok mijn neefje onder de tafel uit en knelde hem tussen haar borsten. Hij was nog steeds niet wakker. Iedereen ging naar huis, de feestvreugde voorbij.
Toen zag ik hoe mijn moeder naast mij knielde. Ze had een groot stuk schuurpapier in haar hand en schuurde fanatiek het bloed van het parket.
Ik nieste door het stof. Toen zag ze mij, toen pas, en ik zag haar tranen. Ze kroop bij me onder de tafel en wiegde me heen en weer alsof ik een baby was.
Ineens voelde ik haar verstijven. Ik schrok. Zag ze de geest van oom Rico? Ze klemde haar armen hard om me heen, ik stikte bijna, en ze snufte in mijn oor: Gelukkige verjaardag, schat!



ds

De vrienden

di-storia-vrienden-solidianne

Vanaf zijn prilste kindertijd had hij vrienden. Ze aten mee aan tafel, keken mee tv en gingen mee als hij naar boven ging om te slapen. De moeder had haar bedenkingen tegenover de vrienden. Ze speelden een te grote rol in zijn kleine leven. Hij deed alleen waar zij zin in hadden en at alleen wat zij lustten. Het werd een hardstemmig strijdtoneel als hij met zijn ouders op vakantie ging, omdat de vrienden dan thuis moesten blijven.
Geen plaats in de auto, zei de moeder. Geen extra bedden, zei de moeder ook. Maar hij gilde en dramde net zo lang tot ze toegaf en de vrienden mee mochten in een overvolle auto en ze zowat uit hun vakantiebedden werden geperst door de vrienden.

De vrienden gingen mee naar school. Dat wil zeggen, ze vergezelden hem tot aan de poort. De vrienden hadden namelijk geen zin in school. Hij ook niet, maar hij moest. Na school wachtten ze hem op en gingen gezamenlijk naar huis.
De moeder kreeg een hartgrondige hekel aan de vrienden, maar kreeg ze niet verjaagd, wat ze ook probeerde. Ze dreigde met de politie, maar hij zei dat hij dan ook weg zou gaan.
Dan heb je geen huis meer, probeerde ze. En hoe moet je dan eten, je hebt geen geld?
Hij antwoordde dat zijn vrienden wel voor hem zouden zorgen, zij zorgden nu toch ook voor hem?
De moeder begreep dat ze de vrienden had te accepteren.
Ze dekte de tafel voor zeven personen, maakte plaats op de bank en wenste de vrienden welterusten.
Ze zocht informatie op het internet en ging naar de huisarts. Die verzekerde haar dat dit geen unieke situatie was. De vrienden zouden vanzelf verdwijnen, verzet had geen zin. Alleen als de vrienden te nadrukkelijk aanwezig waren, als er bijvoorbeeld bezoek was, kon ze ze wegsturen. Maar dat deed de moeder niet, bang voor driftige buien. Er kwam geen bezoek.

De vader meende ook dat het zo’n vaart niet zou lopen; was ervan overtuigd dat de vrienden wel weg zouden gaan als ze groter werden. Vriendschappen verwaterden en meestal was het: uit het oog, uit het hart. En zo gebeurde het ook. Op een dag waren ze verdwenen.
Toen de moeder extra borden op tafel zette, werd hij boos:
Ze zijn er niet, dat zie je toch?
Misschien zijn ze nog boven, probeerde ze voorzichtig en slaakte een opgeluchte zucht toen de vrienden daadwerkelijk weg bleken te zijn.
De rust keerde weer. In het huis speelden andere vrienden en de moeder zette blij borden bij, die meestal niet nodig waren.

Maar dit verhaal kent een dramatische wending, want toen de moeder na schooltijd aan de poort stond om hem op te halen, kwam hij niet opdagen. De juffrouw van zijn klas keek haar bevreemd aan toen ze vroeg waar hij bleef?
We hebben hier geen kind van u, zei ze. Ze nam de moeder mee naar het schoolhoofd die haar een kop koffie gaf en haar ervan probeerde te doordringen dat er geen zoon ingeschreven stond.
De moeder, intussen behoorlijk overstuur, riep dat school krankjorum geworden was en ging in paniek naar huis, hopend dat hij inmiddels thuis zou zijn. En dat was ook zo. Hij hing met een zak chips op de bank en keek tv. Hij was gewoon naar school geweest, zei hij.

Maar er kwam nog een grotere schok: toen de moeder aan de vader vertelde wat er die dag was gebeurd, zei die dat hij geen zoon had.
De moeder had zich nog nooit zo machteloos gevoeld, behalve dan toen de vrienden haar huis bevolkten. Ze gilde dat hij op de bank zat. Kijk dan, dáár! Hij zít daar tóch, mét chips?
De vader probeerde haar te sussen en uiteindelijk gaf hij toe dat er een zoon was.
Het onderwerp zelf bemoeide zich nergens mee, hij keek tv.

Het hoeft geen betoog dat hij vanaf die dag niet meer naar school ging en dat de vader steeds meer zijn heil elders zocht, omdat hij niet om kon gaan met een zoon die hij niet zag en een vrouw die deed alsof ze dat niet zag.
Uiteindelijk trok hij de deur voorgoed achter zich dicht en zocht troost bij de onbestaande juffrouw van zijn onbestaande zoon en zij hem heel goed begreep.

De moeder overlaadde haar zoon met de allerbeste zorgen, was vader, moeder en zijn juf tegelijk. Hij liet het zich berustend aanleunen, maar hij was eenzaam vond de moeder. Misschien moesten de vrienden maar terugkomen, per slot van rekening hadden ze plaats genoeg. Maar de vrienden kwamen niet terug en hij ging de straat niet meer op. De moeder vond het genoeg geweest en zo kwam het dat ze haar jas aantrok en langs de deuren ging.

De buurtbewoners kenden haar als de vrouw die gek geworden was en hoewel ze als ongevaarlijk te boek stond, deden ze niet open. De enkeling die zich wel door haar komst had laten verrassen, stond haar niet te woord of maakte zich snel van haar af door te zeggen dat de vrienden in de verre steden studeerden.
Uiteindelijk vond de moeder de vrienden zelf, op een hangplek bij de bushalte op het kerkplein. Ze herkende ze bijna niet meer na zoveel jaren, maar zij herkenden haar wel en ze wisten zich hem ook nog goed te herinneren.

Hij leefde op met zijn vroegere vrienden en ook de moeder was blij met de weergekomen drukte in huis. Ze kookte gigantische maaltijden, want jongens in de groei hebben altijd honger. Maar ook hier neemt het verhaal opnieuw een wending: na klachten van de buurt over lawaaioverlast, trof de politie alleen een oude vrouw in een sterk vervuilde woning aan waarna maatschappelijk werk zich ermee ging bemoeien: de moeder kon niet meer voor zichzelf zorgen.
Maar de jongens zullen gaan opruimen, wanhoopte ze. Pubers hebben het helpen niet in hun systeem zitten en het was voor haar amper bijhouden met al die maaltijden en de afwas. Als ze het zou vragen?
Haar verweer mocht niet baten. De moeder verhuisde naar een liefdevolle instelling, zonder hem en zijn vrienden.
Het huis werd ontruimd.

Vanaf die dag betrokken de dakloze zoon en de vrienden de abri bij het kerkplein. Niet dat ze werden gezien, maar de gemeentereinigers hadden bovenmatig veel werk aan ze. Elke dag opnieuw vonden ze een tekst op een lantaarnpaal die schoon werd geboend, maar waar de volgende dag precies weer zo’n tekst op geschreven stond.
De abri werd na lang aandringen van de buurt verplaatst en vreemd genoeg, was daar geen overlast aan troep. Maar bij de plek aan de beschreven lantaarnpaal lagen keer op keer lege chipszakken, etensresten, blikken van bier en frisdrank en bergen sigarettenpeuken.
Er kwam een bewakingscamera, die niks registreerde.
Uiteindelijk bleef de plek schoon, misschien wel om een heel bizarre reden: de moeder was gestorven.

Ook in de onverklaarbaarheid bestaat gewenning en het werd een gegeven waar niemand meer van opkeek. En elk jaar op de sterfdag van de moeder verscheen er een nieuwe tekst op de lantaarnpaal…

Foto: Jo Hendriks

Foto: Jo Hendriks


























ds


Dit verhaal verscheen ook bij Bjorn is hier geweest met vrienden

De schoenen

di-storia-de-schoenen-solidianne

Hij kneep zijn ogen iets samen om zijn zicht te verscherpen, kon niet direct thuisbrengen wat hij zag. Toen hij dichterbij kwam, zag hij schoenen, een paar bruinleren herenschoenen met losjes geknoopte veters. Ze stonden met de neuzen voor een hoge langgerekte muur.
Nu hij duidelijk had gezien wat zijn aandacht had getrokken, liep hij peinzend door. Het beeld van de schoenen liep met hem mee.

Hij vroeg zich af waarom de schoenen daar waren achtergelaten. Ze zagen niet uit alsof ze versleten waren. Het was of iemand er gewoon uit was gestapt, op kousenvoeten over de muur was geklommen, maar waarom zou iemand zonder schoenen over een muur willen klimmen?
Niet meer in je eigen schoenen willen staan, kwam in hem op. Alsof die gedachte hem in de andere schoenen dwong. Hij liep terug en legde de schoenen vast met de camera van zijn mobiele telefoon.

Afwezig stak hij zijn sleutel in het voordeurslot. Zijn schoenen zette hij in de gang onder de kapstok, een spoortje vuil smeltwater liep onder de zolen uit.
De schoenen bij de muur stonden er nog niet zo lang, bedacht hij. In de afgelopen nacht had het gesneeuwd, maar de schoenen waren vrijwel droog op een topje sneeuw na. Hij tuurde naar zijn eigen schoenen en het water rondom dat zijn sokken vochtig maakte. Hij nam een krant en zette zijn schoenen erbovenop. De neuzen naar de muur. Hij zette de rechterschoen ietsje schuin naar voor, zoals bij de schoen op straat, en liep naar de keuken. Ze lieten hem niet los toen hij zijn maaltijd at.

Nadat hij de foto van de schoenen naar zijn computer had gekopieerd, printte hij die op fotopapier. En nog een en nog een tot het een geheel werd van een chaotische schoenenberg.
Hij knipte de schoenen stuk voor stuk uit en legde ze naast elkaar op de grond. Alle schoenen. Ze deden hem denken aan passen die op dansvloeren kleefden. Hij zette zijn voeten op de knipsels. Zijn enkel zwikte om.
Niet meer in je eigen schoenen willen staan. Gewoon uit je schoenen stappen en een ander bestaan leiden achter de muur die het ene leven van het andere scheidt. Misschien in onwetendheid? Alsof met het uitdoen van de schoenen ook je geheugen werd gewist, misschien ook wel je hele lichaam, zodat je werkelijk iemand anders wordt als je niet meer in je eigen schoenen staat.
Die gedachte bracht hem in vervoering.
Hij schoof de schoenen door de kamer en stapte van de ene schoen op de andere. Hij kon er niet mee stoppen.

Ik zou niet in jouw schoenen willen staan, had iemand tegen hem gezegd. De bewijzen waren verzameld, uitgeplozen en breed uitgemeten, waarna hij aan de schandpaal werd genageld.
Hij had het vonnis met opgeheven hoofd aangehoord. Zijn schoenveters werden afgenomen. Daarna zat hij thuis, alleen. Voor zijn partner was het te groot geweest, een nieuwe liefde was hij niet meer tegengekomen.
Hij schoof de papieren schoenen op een hoop en legde ze in het aanrecht. Een lucifer was genoeg om alles te verkolen.

De sneeuw joeg hem in het gezicht toen hij zijn schoenen uitdeed, met de neuzen tegen de muur. Hij voelde houvast en klom.
Hij keek op zijn horloge. Hij moest zich haasten. Twee kaarten voor het theater in zijn jaszak. Vroeg eten vanavond. Dan had ze nog tijd om zich mooi te maken.



ds