De man en de kat

Hij staat wijdbeens, op blote voeten, billen naar achter. De houding van onwil, terwijl er maar liefst drie vrouwen aan zijn armen trekken. Een voordeur staat wagenwijd open. Op het tuinpad staat een oude vrouw. Haar gezicht vertrokken in een kader van onmacht. Ze knijpt haar handen samen, bruingele vlekken op blauwverdikte aders. Ze noemt zijn naam en smeekt hem als haar kind naar binnen. De andere vrouwen sjorren uit alle macht, maar de man blijft onverzettelijk, niet van plan om ook maar een stap te doen. De voorbijgangster vraagt zich af wat er kan gebeuren als de vrouwen loslaten. Gaat hij vallen? Of zal hij zich van hen afdraaien en weglopen naar de vrijheid die hij onder zijn voetzolen voelt? De vrouwen laten niet los. Hun mond een onwrikbare streep. Hij moet mee. Kan zij misschien een helpende hand bieden, vraagt de voorbijgangster. De drie vrouwen vertonen geen reactie. De oude vrouw knikt, een nauwelijks merkbare beweging. Maar de voorbijgangster weet niet goed of ze ook aan de man moet gaan trekken. Ze ritst haar tas open en de kat steekt zijn kop nieuwsgierig over de rand. Hij kijkt naar de man, de man kijkt naar hem. Zijn gezicht ontspant en zijn lichaam verslapt. De vrouwen voelen hun kracht en bundelen die samen. De man schiet vooruit en zet zich weer schrap, zijn armen in de grip van de vrouwen. Instinctief zegt de voorbijgangster:  ‘Wil je hem aaien, binnen, en een kop koffie drinken?’  Hij trekt zijn armen soepel los, recht zich en loopt naar het tuinpad, de vrouw en de open deur.  De voorbijgangster loopt ook mee, met de kat in de tas, achter de drie vrouwen aan. Maar die vinden dat ze genoeg heeft gedaan.

dis-storia-cat-solidianne
 

Blauwe mijmer


 

Kralen

Ooit, bij het graven in de tuin, vond ik de komma-achtige kralen terug die dubbelgeregen aan dunne elastiek hadden gezeten. Blauwe armbandkralen. Ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik de armband kreeg, op een verjaardag, en ik was niet jarig. Ik was gast. Een gast die uitgenodigd was omdat mijn zusje voor een kleine ingreep naar het ziekenhuis moest; zo was ik even onder de aardige pannen. Het feest voelde ongemakkelijk, ik ben nooit een feestvierder geweest, zeker niet als er spelletjes aan verbonden waren, zoals koekhappen of zaklopen. Waar een ander in mijmering verzinkt als die herinneringen bovenkomen, voel ik mij nog steeds die vreemde eend in de bijt.
Toen het gras plaatsmaakte voor een rond kinderkopjesterras, vond ik mijn armbandkralen terug. Het elastiek moet geknapt zijn tijdens het spelen. Misschien heb ik ernaar gezocht, misschien heb ik er wel een paar teruggevonden die in de loop van de tijd weer kwijtgeraakt zijn. Ik hield drie felblauwe kralen in mijn hand en keek blij verwonderd naar een armbandje dat om mijn pols geschoven werd toen ik werd opgehaald. Thuis moest ik muisstil zijn omdat mijn zusje sliep.
Ik bewaarde de armband als een kostbare schat. Daarna stopt de herinnering. En ook de kralen uit de tuin verdwenen.

Er ligt een kraal in de tuin, gevonden voor hij in de grond is verdwenen. Het blauw op de top lijkt op de kleur van mijn armband. Ik was vier en ik wilde naar huis.

Di Storia, Kraal, Soli
 

Vliegen

Di Storia Opvliegend plastic Soli

Kijk, daar. Hoog. Iets lager. Hoger. Wat zie je? Is het een vogel? Is het een vliegtuig, van papier? Nee, dat is het niet. Het is een plastic zakje dat zich opblaast in de wind. En iets dat zich vult aan de lucht en waar de wind mee speelt, kan niet neerkomen als een vodje in een vuile hoek van de straat. Het moet verder vliegen, dansen, warrelen boven straten, boven water. Hoger en lager. Om een mens te verbazen.

 

Denken aan de zee

De afwasmachine draait. Ik luister naar de eerste toeren van de sproeier. Met een beetje fantasie spoelen golven aan op het strand. Ik hoor nu de vallende druppels op metaal. Maar ik denk aan de zee, en dat ik een hele tijd niet meer aan de kust ben geweest. En aan de eerste vakantie in De Panne, ik was net vier. De wereld was teruggebracht naar zand en zee en lag aan mijn voeten. Emmers vol. Later kwam Den Helder waar ik heel wat van mijn jeugd heb doorgebracht, op de pier met gezouten harde haarvlechten die pijnlijk mijn gezicht striemden. – De mooiste schelpen mee naar huis, samen met de mooiste stinkende krabbetjes in de warme achterbak van de auto – En heel veel later was ik met mijn bouwende en verzamelende kinderen in De Haan of Oostende. Maar eerder met mijn beste vrienden H. en G.  Uitwaaien. Herinneringen golven over me heen in een windstille duinpan.
Getik op de ruit. Mijn veertienjarige zoon onderbreekt mijn mijmering met twee onverwachte uren vrij. Hij is uitgelaten en lekker fris van het fietsen door een vroege koele ochtend. De zee is weggespoeld voor thee en mijn zoon rolt zich op in de bank, met zijn laptop. Zijn schoenen slingeren als altijd door de kamer, zonder zand zoals vroeger.
Ik schrijf in Word: Denken aan de zee. Dat eerst en dan gaan.

Di Storia Schelp Soli
 
  Onbekommerd

  Mijn kinderhanden spraken Frans
  daar aan het vreemde strand
  dat nog geen paar uur rijden was
  – maar wel heel ver want wagenziek –

  en aan zee golfde ik samen
  met een bal, kon ik mij verstaan als een vis;
  zo dreef ik op gejutte klank, zon
  nog in het oor van de coquille.

  Uit: Wat blijven zal, maakt ademloos
 

Niet alleen

Di Storia Niet alleen Soli ©
  Zo te zitten in het oevergras
  en dat het zaad al barst in doffe plofjes,
  het breekt de ruis van riet

  en ik denk nog even niet
  aan wat er overstromen moet
  of wat zich uitvlakt
  achter hoge bomen.

  Als een dunne deken
  het land toedekt,
  blijf ik tot de regen valt,

  luister naar de taal van water.
  In mijn mond verdwijnen woorden,
  druppelt onrust uit mijn hoofd.

  Zo te zitten in het oevergras
  op deze plek, word ik bewust
  van armen om me heen.

  Niet alleen
  ontspannen ze een omheining,
  ze laten mij in doorgang schuilen.

  ds
 
 

Tussen de muren, plek van groen en steen

Di Storia Kindergraf Soli 2014Ik ben met mijn moeder op de oude begraafplaats. We hebben vergeet-mij-nietjes geplant. Later staan we bij de schots en scheve kindergraven, half verzonken in het gras, op een veldje tussen oude hoge dennenbomen. In mijn ooghoek rent een eekhoorn over een steen, de rode pluimstaart in de zon.
Ik kijk naar lantaarns, kabouters, auto’s en kleine clowns; tientallen engelen buitelen over elkaar heen. Ergens ligt een beeld van een kind te slapen op een grijze dekplaat.
Mijn moeder is tussen de paden verdwenen. Ik denk aan speelgoed dat nog niet is opgeruimd, en aan kinderen die de blauwe druifjes en sterhyacintjes plukken die hier weelderig groeien.
Dan zie ik hem aankomen. Zorgvuldig achterover gestreken haar, met gel gestileerd, blauw hemd. Om zijn hals een smalle sjaal en een dure camera.
Hij gaat me aanspreken, denk ik, en dat doet hij ook. In een paar minuten weet ik hoe oud hij is en dat zijn jonggestorven vriend, een musicus, hier ergens rust; hij weet nog steeds niet waar. Mijn moeder komt aan en hun verhalen over de vriend komen overeen, kleine wereld, maar zij weet ook niet waar hij ligt. Hij vraagt mij waarom de graven steeds eenvoudiger worden en niemand meer een mausoleum plaatst voor zijn geliefden. Hij noemt terloops de duizelingwekkende prijs van zijn camera en dat hij regelmatig naar New York gaat, omdat hij reportages maakt voor een regionale tv-maatschappij, en graven filmt waar zeven doden op elkaar liggen wegens plaatsgebrek. Hij vertelt over schoonheid en diagonalen en laat een lied op zijn mobiel horen dat nog in de maak is. Tussen de bomen klinkt een beat van techno, gecombineerd met Duitse rap: ‘Das Leben geht weiter…’
Di Storia Kruis Soli 2014Ben ik een fotograaf die in opdracht fotografeert of doe ik het alleen voor mezelf?, vraagt hij. Antwoorden maken niks uit. Hij is bang voor de dood, hij zegt het, het klinkt in alles door. Hij klampt zich aan mij en mijn moeder vast, alsof wij zijn dood kunnen voorkomen door hem gerust te stellen. Hij zoent ons en wij laten hem los.
Als we langs de buitenmuur lopen, waarachter de Joodse graven liggen, zie ik het graf van zijn vriend. De fotograaf is nergens meer te bekennen, we hebben niet eens namen uitgewisseld, al heeft hij veel namen genoemd.
Ik kijk naar onbekende graven die uit elkaar zijn gedrukt door de tijd. De familie wordt gevraagd zich melden, de graven zullen geruimd. Zelfs de dood is tijdelijk, denk ik. Misschien had ik dat moeten zeggen…

‘Ik heb mijn plicht vervuld’, had mijn moeder tegen de bange fotograaf gezegd en dat herhaalt ze nu ook moedig tegen mij: ‘En ik zal straks plaats maken voor een nieuwe generatie.‘
Zoals zij het bedoelde, heb ik ook mijn plicht vervuld. Maar dat spreekt ze tegen, en zij wil geen graf met vergeet-mij-nietjes en engelen, maar een crematie. Dat is gemakkelijker voor ons, haar kinderen.
Graven zijn niet voor eeuwig; de onverstoring geldt niet voor altijd, al is er de wil om zo zorgvuldig mogelijk te werk te gaan. Sommige overblijfselen die ‘per noodzaak van de vooruitgang’ worden opgegraven door archeologen, zullen met de precisie van het bindende geloof worden teruggelegd, en opnieuw gezegend. Ik denk aan de opgegraven crematieresten die door mijn handen zijn gegaan. Soms rook ik de scherpe brandlucht van eeuwen geleden. Als ik nog een keer rook, zat alleen de geur van oud stof, in een moment van weemoed, in mijn neus.
Di Storia Omhelzing Soli 2014
‘Ze had niet dapper moeten zijn’, zegt mijn moeder dwars door mijn gedachten heen. Ze heeft het over A. die op haar 23ste van het leven werd beroofd. Op haar werk. Een overval. Ze weigerde. Het mes dreef haar familie in een scherpe rouw uit elkaar…

Het smeedijzeren hek van de grafkelder is gesloten. Als we erin willen, kunnen we ons melden bij de ingang, staat op een geplastificeerde notitie die aan het hek is bevestigd. Ik hoef niet, mijn moeder ook niet. Ik ga een eindje de trap af en ruik de bedompte schimmelgeur die zich door het hek wringt. ‘Ooit hebben we hier geschuild’, zegt mijn moeder: ‘Weet je dat nog?’ Ik wist het niet meer, maar zie ons ineens weer de trap afrennen bij een fel onweer. Was ik negen? Tien? Buiten was het even donker geworden als binnen, maar we stonden droog en veilig in de kelder achter het hek. In gedachten zie ik onweersflitsen die de grafstenen oplichten. Of ik dat echt zo gezien heb, weet ik niet. Ik was bang voor onweer.
‘Ik heb vast mijn gezicht in een jas verscholen’, zeg ik.
‘Ja, in die van mij’, lacht mijn moeder.

Di Storia  Jongen met pauw Soli 2014

‘Dat is meneer H.’, merkt ze op, als we op een zonnig bankje rusten. Een heer met een dikke dos grijs haar buigt zich over een graf.
‘Is dat meneer H.?’, vraag ik verrast, alsof ik vergeten ben hoe de jaren door ons heen zijn gegleden. Meneer H. wandelt langs ons bankje. Hij schenkt ons een brede lach. ‘Hij was een knappe man vroeger’, verzucht mijn moeder.
‘Hij is nog steeds een knappe man’, zeg ik.
‘Ja?’ vraagt ze verbaasd. ‘Ja’, zegt ze dan: ‘Ja, dat is zo…’ Ze is er stil van.

Di Storia Bloemenkrans Soli 2014Op het pad loopt een vrouw onrustig op en neer, door mijn moeders stilte heen, met een plastic kokervaas en een bos narcissen, alsof ze een graf zoekt. De man die bij haar hoort, komt naar ons toe en spreekt zich hoofdschuddend en zichtbaar geërgerd uit dat veel graven er maar slecht bij liggen; niemand die ze nog komt verzorgen. Hij had een los stuk steen van een kruis geplukt en die op het met onkruid overgroeide graf gelegd. ‘Misschien’, zeg ik, ‘zou elke inwoner van de stad een graf moeten adopteren, niet met geld, maar gewoon met wat regelmatig onderhoud. ‘
Hij kijkt mij perplex aan en beent weg, samen met de vrouw en de narcissen. Als we hem nog een keer tussen de zerken tegenkomen, de vrouw heeft het graf gevonden, kijkt hij van me weg.
‘Het was ook niet de bedoeling dat je dat zei’, zegt mijn moeder met een goedkeurende glimlach: ‘Je had met hem mee moeten mopperen…’
Op de terugweg koopt ze vergeet-mij-nietjes voor mij.

 

Tekst en foto’s: Soli 2- 04- 2014