Wind

 

Hallo, zei hij en tegen ieder die hij tegen liep: Hallo.
Sommigen gingen snel door, met geveinsde haast, tegen de wind in. Anderen glimlachten klein, nauwelijks zichtbaar. Hij fladderde breed in zijn mouwen alsof hij wilde omarmen; een lus slaan om een tot staand gebracht lichaam. Hij leek een vlieger in een te hoge straat.
De herkenning vloog over haar gezicht. Een herkenning in paniek. Ze draaide, besluiteloos, een kwartslag en weer terug. Hij had haar niet gezien, hij zwaaide tegen een omstander die hem bij zijn fladderende mouwen nam en hem zacht van zich afduwde. Ze liep langzaam van hem weg, bang om de vlieger kapot te trappen als ze er de pas in zou zetten. Vanachter glas zag ze hoe hij langs haar heen waaide. Morgen, misschien morgen.

Di Storia Eggs Soli