Koffie

Hij nam elke morgen de bus naar de stad voor een kop koffie. Zijn eerste kop koffie. Altijd in dezelfde lunchroom. Jaar in, jaar uit. Bus, lunchroom, koffie, bus. Hij zat meestal alleen, aan dezelfde tafel achter de houten, bruin geverfde wanden, de zaak te hard verlicht voor een vroege ochtend.
Ze liet zich niet aankijken, alsof bij het felle licht zijn blik teveel was, en schreef elke ochtend zijn bestelling – 1 koffie – op. Hij wachtte en hoopte dat ze die eens voor hem zou neerzetten zonder dat hij erom had hoeven vragen. Dan kon hij thuisblijven.

Di Storia Koffie Soli 2014
 
 

Advertenties

Dun

Terwijl ik knoflook hakte, vroeg ik mij af of hij bang was om dood te gaan.
De blauw met witte ruiten op het plastic tafelkleed waren vervaagd door het zoute zweet van leunen en waar een schoonmaakdoekje te hard had gewreven. Niets was echt verdwenen, de ruiten alleen wat lichter. Ik vroeg me af of, als ik harder zou wrijven alles wit zou worden. En ik wreef de dunne plekken dunner, zette er lege kommen op, en zo bleef de vraag over of hij bang was om dood te gaan.
Ik wist het niet. Vragen was wrijven over de dunne plekken.

Di Storia Ruiten Soli 2014
 
 

Pleisterplaats

  Het zijn haar handen, eilanden. 
  Pleisterplaatsen, waarop ik op een vinger 
  slenter. Ontdek, natrek. Zwerf 
  over donkeroude plekjes, 
  een doolhof van ragfijne lijnen, 
  de kalme rivieren die even geheimzinnig 
  verdwijnen bij het rugwaarts glijden. 

  Ik reis een leven lang 
  in de herinnering van haar huid 
  wissen haar sporen langzaam uit; 
  kruipt bloed waar het niet gaan kan 
  om op mijn handen 
  te verschijnen, samen 
  met een slenterkind. 

  ds© 

Di storia, Pleisterplaats, Soli 2014