De man op de maan

di-storia-supermaan-solidianne-2016

Het sprak tot zijn verbeelding, een supermaan. Dichter bij de aarde dan normaal. De volgende pas in 2034. Dan was hij oud, bedacht hij. Er kon nog veel gebeuren voordat hij die leeftijd zou bereiken, als hij er nog was.
Het was wat mistig die heel vroege morgen, hij had weinig hoop haar te kunnen zien, maar ze scheen helder en bijna verblindend voor zijn ogen. Hij zag het vage landschap van steen en kraters en daaronder de nevel die geheimzinnig oplichtte door het zonlicht op de maan en de straatlantaarns.
Had hij eerder naar haar gekeken zoals nu of was hij het vergeten? Hij alleen, op blote voeten? Glas water pakken en bij het naar buiten kijken, bijna struikelen over de maan door de halfopen gordijnen. Wellicht was hij naar buiten gegaan, had een steen gegooid die nooit zou kunnen ketsen, al was ze nog zo dichtbij. Hij trok zijn schoenen aan, zijn jas over zijn nachtgoed en liet de voordeur in het slot vallen. Het voelde bijzonder om een vollemaanwandeling te maken. De natte kou trok klam om hem heen toen hij de heuvel opliep. Er viel een steen voor zijn voeten. Hij raapte hem op en bleef even staan peinzen. De maan lag glimmend in een plas water, hij gooide de steen die in druppels opsprong en toen bleef liggen in rimpelend licht. Hij stapte in de plas. Hij zag een vos, die waren hier zeldzaam. De vos keek gebiologeerd naar de man op de maan. De man werd aangeraakt door iets groters, alsof de zon in hem opkwam en door zijn aderen vloeide.
De vrouw stond om acht uur op. Op tafel, op de krant, lag een steen, precies op het beeld van een supermaan. Groot nieuws, smaalde ze. Wat was daar nu bijzonder aan?
De man vroeg zich voor het eerst af of hij met haar oud wilde worden.

 

De vlucht

dis-storia-vlucht-solidianne

Het is nog donker als ze de deur achter zich dichttrekt. Stil op straat. Haar voetstappen klinken hol, galmen tegen de gevels. Misschien kan ze ergens anders beter nadenken. Ze versnelt haar pas.

Ze checkt in. De stationshal is ruim, maar lijkt klein en benauwd door de bedrijvigheid die er heerst. Het rennende kind dat bits een halt toegeroepen wordt, maakt haar nerveus. Ze draait zich abrupt om, negeert de man met de gratis krant die met uitgestoken arm op haar af komt.
Iemand botst tegen haar aan of botst zij tegen iemand aan? Ze wrijft over haar pijnlijke elleboog, wringt zich tussen koffers, karretjes en rugzakken door om bij het achterste treinstel te komen.
Ze ademt iets rustiger als ze een plekje vindt in een nog lege coupé.

Tegenover haar zet een zwaarlijvige vrouw een grote supermarkttas met paraplu op de bank en laat zich luidruchtig zuchtend neervallen. Er is nog plaats genoeg, waarom net hier?
De vrouw lijkt haar een praattype te zijn. Ze wil niet kletsen, ze wil niks. Ga weg, ga toch weg! Ze zegt het niet hardop, maar haar lichaamstaal moet duidelijk zijn.
Ze drukt haar voorhoofd tegen het koele glas. In de verte schemert licht. De lucht kleurt in strepen roze en blauw. De trein komt in beweging. Waar gaat ze eigenlijk naartoe? Ze weet het niet meer. Misschien zit ze niet in de goede trein?
De vrouw kijkt haar vriendelijk aan, maar ze wijst haar af door haar blik te ontwijken.
Ze kijkt naar buiten, registreert het groene landschap. De vrouw kijkt ook naar buiten.
Sneller en sneller razen de koeien voorbij in weilanden van stroomdraad en fabriekspijpen. De torenflats grauw en somber.

‘Mevrouw?’ Ze schrikt op. Voor haar staat de conducteur, indringende blik, zijn stem niet onvriendelijk. Ze zoekt chaotisch in haar tas. Nu valt ze door de mand als hij haar zal vragen waar de reis heen gaat. Maar de man scant stilzwijgend haar kaart.
‘Goede reis, mevrouw’. Goede reis, goede reis waarnaartoe? Is ze te overhaast geweest met vertrekken, weet iemand waar ze is?
Ze kijkt paniekerig om zich heen. De vrouw neemt haar hand. Ze lijkt wel verlamd, waarom trekt ze die niet terug? De hand van de vrouw voelt ruw maar prettig aan, aait haar gespannen huid. Ze wil hem van zich af slaan. Ze doet het niet.

‘Ach, meisje toch,’ zegt de vrouw. Het is alsof ze die woorden zingt. Haar keel doet pijn en ze knippert boos haar tranen weg. Ze wil niet huilen. Ze trekt haar hand terug en balt haar vuisten.
De vrouw schilt een appel. Hoe lang is het geleden dat haar moeder appels schilde? Ze kijkt gehypnotiseerd naar de schil. Ziet zichzelf als kind in de kelder, de grootste en de meest rode zoekt ze uit. Ze ruikt weer de geur van de warme moes. De vrouw schilt precies en heel dun. Vreemd genoeg maakt het schavende geluid haar rustig. Ze staart naar de schil en wacht tot die afbreekt, hij breekt niet, een slinger van appel.
Ze doet haar ogen dicht, ze branden.
Ze voelt hoe de vrouw naast haar komt zitten en haar haren streelt. Ze houdt haar ogen stijf gesloten, maar laat het toe. Haar moeder streelt haar haren. Alles komt goed.
De trein rijdt langzamer, ze naderen een station. Heeft ze geslapen? Heeft ze de naam gehoord via de intercom? Ze ziet een bord met een plaatsnaam.
De naam zegt haar niets, maar ze wil nu wel uitstappen.
De vrouw pakt ook haar spullen bij elkaar en geeft haar een zacht duwtje.
Op het perron neemt de vrouw haar bij de arm en leidt haar naar het busstation. Ze laat zich gewillig meevoeren, het is of haar verzet gebroken is.

In de bus zitten ze tegenover elkaar. De vrouw reikt haar een pepermuntje aan.
Ze vindt het prettig dat de vrouw niets tegen haar zegt; ze zal de hele reis zwijgen.
Ze zijn de laatste passagiers als de bus eindelijk stopt. De vrouw geeft haar een knikje en spreekt met dat eigenaardige geluid dat haast als zingen klinkt: ‘Kom, kom maar. We zijn er’.
Ze wordt naar een klein vrijstaand huis geleid.
Binnen is het aangenaam warm. Ze merkt nu dat ze staat te rillen van kou. De vrouw neemt haar mee naar boven. Even later zit ze tot aan haar kin in warm water. Ze laat zich alles aanleunen, ook als ze drooggewreven wordt en in een flanellen nachtpon in bed wordt gestopt.
Haar kussen ruikt naar lavendel en ze krijgt lauwe thee die ongewoon smaakt, ze kan de smaak niet thuisbrengen. Ze wordt er loom van, de kamer draait een beetje. Ze vindt het niet erg, dan hoeft ze niet te denken. Ze voelt de roes van de slaap over zich heen komen.
De zon schijnt als ze wakker wordt. Beneden is thee en brood. Ze eten samen.
De vrouw vraagt haar niets, zegt ook niets. Ze voelt zich eigenaardig in evenwicht en de dag verloopt uiterst kalm.

’s Avonds is er een politiebericht op televisie. De politie vraagt aandacht voor de vermissing van een vrouw. Er is al ruim een maand niets meer van haar vernomen. Er wordt gevreesd voor een misdrijf.
De vrouw op de foto komt haar vaag bekend voor, het signalement lijkt ook op dat van haarzelf, al gelooft ze niet dat ze haar kent. Ze neemt nog een kop thee, ze wordt er zo heerlijk doezelig van.

 

De man en de kat

Hij staat wijdbeens, op blote voeten, billen naar achter. De houding van onwil, terwijl er maar liefst drie vrouwen aan zijn armen trekken. Een voordeur staat wagenwijd open. Op het tuinpad staat een oude vrouw. Haar gezicht vertrokken in een kader van onmacht. Ze knijpt haar handen samen, bruingele vlekken op blauwverdikte aders. Ze noemt zijn naam en smeekt hem als haar kind naar binnen. De andere vrouwen sjorren uit alle macht, maar de man blijft onverzettelijk, niet van plan om ook maar een stap te doen. De voorbijgangster vraagt zich af wat er kan gebeuren als de vrouwen loslaten. Gaat hij vallen? Of zal hij zich van hen afdraaien en weglopen naar de vrijheid die hij onder zijn voetzolen voelt? De vrouwen laten niet los. Hun mond een onwrikbare streep. Hij moet mee. Kan zij misschien een helpende hand bieden, vraagt de voorbijgangster. De drie vrouwen vertonen geen reactie. De oude vrouw knikt, een nauwelijks merkbare beweging. Maar de voorbijgangster weet niet goed of ze ook aan de man moet gaan trekken. Ze ritst haar tas open en de kat steekt zijn kop nieuwsgierig over de rand. Hij kijkt naar de man, de man kijkt naar hem. Zijn gezicht ontspant en zijn lichaam verslapt. De vrouwen voelen hun kracht en bundelen die samen. De man schiet vooruit en zet zich weer schrap, zijn armen in de grip van de vrouwen. Instinctief zegt de voorbijgangster:  ‘Wil je hem aaien, binnen, en een kop koffie drinken?’  Hij trekt zijn armen soepel los, recht zich en loopt naar het tuinpad, de vrouw en de open deur.  De voorbijgangster loopt ook mee, met de kat in de tas, achter de drie vrouwen aan. Maar die vinden dat ze genoeg heeft gedaan.

dis-storia-cat-solidianne
 

Houvast

 

 Langs de monding van de Maas

 
Di Storia 'Stenen' Solidianne 1

  laat ik mij liggen bij een steen, die in het water niet verdwijnt, maar ingebed

 
Di Storia 'Stenen' Solidianne 2

  het natte grondvlak houdt, de scherpe zijde slijt. Gegroefd

 
Di Storia 'Stenen' Solidianne 3

  ligt hij op de oever van mijn hand, ontdaan

 
Di Storia 'Stenen' Solidianne 4

  van slijk en zand, voordat ik hem terugleg, in ondiep stromen

 
Di Storia 'Stenen' Solidianne 5

  en herhaalt herinnering zich door een klein bewegen

 
Di Storia 'Stenen' Solidianne 6

  voordat ze loslaat, naar het klare houvast

 
Di Storia 'Stenen' Solidianne 7

  op de bodem van gewichtloos kunnen zijn.

 
 
  Beeld en tekst: Soli. Dit gedicht is eerder geplaatst op het opgeheven Volkskrantblog en is in 2015 herschreven.
 

Blauwe mijmer