Licht

Di Storia  Soli 2013

November 12

De verbijstering maakt alle woorden stil. We zijn vluchters in een spiegelende straat bij het uitvaartcentrum. We roken of doen alsof om maar even niet gewoon door te ademen. We willen er niet in geloven, leven zonder hem maar vonden dat met hem ook al ongeloofwaardig. (12-11-2010)

We waren meer dan dertig jaar vrienden, groeiden praktisch met elkaar op. Hij was de vriend van mijn vriend die jaren later mijn man werd. Hij was mijn getuige bij mijn huwelijk en was er ook getuige van hoe een huwelijk wreed kan breken. Maar vriendschap hoeft niet te breken, niet te kiezen, al deed het hem pijn om het onomkeerbare tussen zijn vrienden niet ongedaan te kunnen maken.
Het was een innige vastgegroeide vriendschap tussen ons die alle ruimte liet en die nu na zijn dood, precies drie jaar geleden, gapend zwart zichtbaar is tussen ons, zijn vrienden.
‘Ik zal de vissen niet meer vrijlaten’, zeg ik hardop.
We waren achttien, trokken de horizon achter ons aan. We gingen forel vangen voor het avondeten; zaten in een gammele roeiboot.
De vissen zwommen hun dood tegemoet in het net en ik liet ze vrij. Hij werd boos: of ik soms op een houtje wilde bijten?
De gebakken forel was lekker, hij had ze met citroen en kruiden in zilverfolie gewikkeld, stukken beter dan een karig houtje. Zie je nou wel, zegt zijn stem…

Ik heb een dialoog in mijn eentje. Even daarvoor kwam hij binnen. Hij rook naar buiten. De wind waaide met hem mee. Ik kan me niet meer herinneren welk jasje hij aanhad maar zijn geur heb ik onthouden en dat karakteristieke hoedje.
Ik klop melk op in een steelpan. Hij dronk zijn koffie zwart behalve als ik opgekookte melk klopte. Op de een of andere manier als ik driftig schuim sla, zit hij aan tafel. We praten. Ik praat, hij luistert.
‘Je hebt mijn nieuwe huis, mijn inrichting niet meer kunnen zien. Vrijwel alles gekregen. Opgeknapt. Ik voel me er goed bij en het past ook meer bij mij. Moet de muren nog doen, de kast…’

Ik kijk naar de lege plek, zijn vaste plek als hij er was, het hoedje dat onzichtbaar prominent op tafel ligt en naar de stoel waar hij nooit op heeft gezeten.
Maar hij is er nu even, mijn beste vriend, en ik leid hem in gedachten rond. Hij had zich zorgen gemaakt over mij, de scheiding.
‘Maak je geen zorgen over mij. Alles is goed zoals het is gegaan’, zeg ik alsof hij mij kan horen. ‘Maar je had niet dood moeten gaan. Dan had ik je dat nog kunnen vertellen’.
Hij had zijn warme handen op mijn schouders gelegd en ik had even tegen hem aangeleund omdat ik, nog in een verdrietige cirkel, niet wist dat het goed was. Hij voelde zich toen net zo onmachtig als ik.
Nu leg ik zijn handen, bijna voelbaar, terug en zeg nog een keer dat het goed is gegaan met mij. En dat ik hem verdomme mis. Maar dan is hij al weggegaan, zoals hij ook, toen hij nog leefde, altijd maar een kleine twee uur bleef, naar zijn vrouw en kinderen die hem harder missen dan ik. Maar goede vrienden komen altijd terug.

Di Storia, Appelboom 2013