De man op de maan

di-storia-supermaan-solidianne-2016

Het sprak tot zijn verbeelding, een supermaan. Dichter bij de aarde dan normaal. De volgende pas in 2034. Dan was hij oud, bedacht hij. Er kon nog veel gebeuren voordat hij die leeftijd zou bereiken, als hij er nog was.
Het was wat mistig die heel vroege morgen, hij had weinig hoop haar te kunnen zien, maar ze scheen helder en bijna verblindend voor zijn ogen. Hij zag het vage landschap van steen en kraters en daaronder de nevel die geheimzinnig oplichtte door het zonlicht op de maan en de straatlantaarns.
Had hij eerder naar haar gekeken zoals nu of was hij het vergeten? Hij alleen, op blote voeten? Glas water pakken en bij het naar buiten kijken, bijna struikelen over de maan door de halfopen gordijnen. Wellicht was hij naar buiten gegaan, had een steen gegooid die nooit zou kunnen ketsen, al was ze nog zo dichtbij. Hij trok zijn schoenen aan, zijn jas over zijn nachtgoed en liet de voordeur in het slot vallen. Het voelde bijzonder om een vollemaanwandeling te maken. De natte kou trok klam om hem heen toen hij de heuvel opliep. Er viel een steen voor zijn voeten. Hij raapte hem op en bleef even staan peinzen. De maan lag glimmend in een plas water, hij gooide de steen die in druppels opsprong en toen bleef liggen in rimpelend licht. Hij stapte in de plas. Hij zag een vos, die waren hier zeldzaam. De vos keek gebiologeerd naar de man op de maan. De man werd aangeraakt door iets groters, alsof de zon in hem opkwam en door zijn aderen vloeide.
De vrouw stond om acht uur op. Op tafel, op de krant, lag een steen, precies op het beeld van een supermaan. Groot nieuws, smaalde ze. Wat was daar nu bijzonder aan?
De man vroeg zich voor het eerst af of hij met haar oud wilde worden.

 

De vlucht

dis-storia-vlucht-solidianne

Het is nog donker als ze de deur achter zich dichttrekt. Stil op straat. Haar voetstappen klinken hol, galmen tegen de gevels. Misschien kan ze ergens anders beter nadenken. Ze versnelt haar pas.

Ze checkt in. De stationshal is ruim, maar lijkt klein en benauwd door de bedrijvigheid die er heerst. Het rennende kind dat bits een halt toegeroepen wordt, maakt haar nerveus. Ze draait zich abrupt om, negeert de man met de gratis krant die met uitgestoken arm op haar af komt.
Iemand botst tegen haar aan of botst zij tegen iemand aan? Ze wrijft over haar pijnlijke elleboog, wringt zich tussen koffers, karretjes en rugzakken door om bij het achterste treinstel te komen.
Ze ademt iets rustiger als ze een plekje vindt in een nog lege coupé.

Tegenover haar zet een zwaarlijvige vrouw een grote supermarkttas met paraplu op de bank en laat zich luidruchtig zuchtend neervallen. Er is nog plaats genoeg, waarom net hier?
De vrouw lijkt haar een praattype te zijn. Ze wil niet kletsen, ze wil niks. Ga weg, ga toch weg! Ze zegt het niet hardop, maar haar lichaamstaal moet duidelijk zijn.
Ze drukt haar voorhoofd tegen het koele glas. In de verte schemert licht. De lucht kleurt in strepen roze en blauw. De trein komt in beweging. Waar gaat ze eigenlijk naartoe? Ze weet het niet meer. Misschien zit ze niet in de goede trein?
De vrouw kijkt haar vriendelijk aan, maar ze wijst haar af door haar blik te ontwijken.
Ze kijkt naar buiten, registreert het groene landschap. De vrouw kijkt ook naar buiten.
Sneller en sneller razen de koeien voorbij in weilanden van stroomdraad en fabriekspijpen. De torenflats grauw en somber.

‘Mevrouw?’ Ze schrikt op. Voor haar staat de conducteur, indringende blik, zijn stem niet onvriendelijk. Ze zoekt chaotisch in haar tas. Nu valt ze door de mand als hij haar zal vragen waar de reis heen gaat. Maar de man scant stilzwijgend haar kaart.
‘Goede reis, mevrouw’. Goede reis, goede reis waarnaartoe? Is ze te overhaast geweest met vertrekken, weet iemand waar ze is?
Ze kijkt paniekerig om zich heen. De vrouw neemt haar hand. Ze lijkt wel verlamd, waarom trekt ze die niet terug? De hand van de vrouw voelt ruw maar prettig aan, aait haar gespannen huid. Ze wil hem van zich af slaan. Ze doet het niet.

‘Ach, meisje toch,’ zegt de vrouw. Het is alsof ze die woorden zingt. Haar keel doet pijn en ze knippert boos haar tranen weg. Ze wil niet huilen. Ze trekt haar hand terug en balt haar vuisten.
De vrouw schilt een appel. Hoe lang is het geleden dat haar moeder appels schilde? Ze kijkt gehypnotiseerd naar de schil. Ziet zichzelf als kind in de kelder, de grootste en de meest rode zoekt ze uit. Ze ruikt weer de geur van de warme moes. De vrouw schilt precies en heel dun. Vreemd genoeg maakt het schavende geluid haar rustig. Ze staart naar de schil en wacht tot die afbreekt, hij breekt niet, een slinger van appel.
Ze doet haar ogen dicht, ze branden.
Ze voelt hoe de vrouw naast haar komt zitten en haar haren streelt. Ze houdt haar ogen stijf gesloten, maar laat het toe. Haar moeder streelt haar haren. Alles komt goed.
De trein rijdt langzamer, ze naderen een station. Heeft ze geslapen? Heeft ze de naam gehoord via de intercom? Ze ziet een bord met een plaatsnaam.
De naam zegt haar niets, maar ze wil nu wel uitstappen.
De vrouw pakt ook haar spullen bij elkaar en geeft haar een zacht duwtje.
Op het perron neemt de vrouw haar bij de arm en leidt haar naar het busstation. Ze laat zich gewillig meevoeren, het is of haar verzet gebroken is.

In de bus zitten ze tegenover elkaar. De vrouw reikt haar een pepermuntje aan.
Ze vindt het prettig dat de vrouw niets tegen haar zegt; ze zal de hele reis zwijgen.
Ze zijn de laatste passagiers als de bus eindelijk stopt. De vrouw geeft haar een knikje en spreekt met dat eigenaardige geluid dat haast als zingen klinkt: ‘Kom, kom maar. We zijn er’.
Ze wordt naar een klein vrijstaand huis geleid.
Binnen is het aangenaam warm. Ze merkt nu dat ze staat te rillen van kou. De vrouw neemt haar mee naar boven. Even later zit ze tot aan haar kin in warm water. Ze laat zich alles aanleunen, ook als ze drooggewreven wordt en in een flanellen nachtpon in bed wordt gestopt.
Haar kussen ruikt naar lavendel en ze krijgt lauwe thee die ongewoon smaakt, ze kan de smaak niet thuisbrengen. Ze wordt er loom van, de kamer draait een beetje. Ze vindt het niet erg, dan hoeft ze niet te denken. Ze voelt de roes van de slaap over zich heen komen.
De zon schijnt als ze wakker wordt. Beneden is thee en brood. Ze eten samen.
De vrouw vraagt haar niets, zegt ook niets. Ze voelt zich eigenaardig in evenwicht en de dag verloopt uiterst kalm.

’s Avonds is er een politiebericht op televisie. De politie vraagt aandacht voor de vermissing van een vrouw. Er is al ruim een maand niets meer van haar vernomen. Er wordt gevreesd voor een misdrijf.
De vrouw op de foto komt haar vaag bekend voor, het signalement lijkt ook op dat van haarzelf, al gelooft ze niet dat ze haar kent. Ze neemt nog een kop thee, ze wordt er zo heerlijk doezelig van.

 

De man en de kat

Hij staat wijdbeens, op blote voeten, billen naar achter. De houding van onwil, terwijl er maar liefst drie vrouwen aan zijn armen trekken. Een voordeur staat wagenwijd open. Op het tuinpad staat een oude vrouw. Haar gezicht vertrokken in een kader van onmacht. Ze knijpt haar handen samen, bruingele vlekken op blauwverdikte aders. Ze noemt zijn naam en smeekt hem als haar kind naar binnen. De andere vrouwen sjorren uit alle macht, maar de man blijft onverzettelijk, niet van plan om ook maar een stap te doen. De voorbijgangster vraagt zich af wat er kan gebeuren als de vrouwen loslaten. Gaat hij vallen? Of zal hij zich van hen afdraaien en weglopen naar de vrijheid die hij onder zijn voetzolen voelt? De vrouwen laten niet los. Hun mond een onwrikbare streep. Hij moet mee. Kan zij misschien een helpende hand bieden, vraagt de voorbijgangster. De drie vrouwen vertonen geen reactie. De oude vrouw knikt, een nauwelijks merkbare beweging. Maar de voorbijgangster weet niet goed of ze ook aan de man moet gaan trekken. Ze ritst haar tas open en de kat steekt zijn kop nieuwsgierig over de rand. Hij kijkt naar de man, de man kijkt naar hem. Zijn gezicht ontspant en zijn lichaam verslapt. De vrouwen voelen hun kracht en bundelen die samen. De man schiet vooruit en zet zich weer schrap, zijn armen in de grip van de vrouwen. Instinctief zegt de voorbijgangster:  ‘Wil je hem aaien, binnen, en een kop koffie drinken?’  Hij trekt zijn armen soepel los, recht zich en loopt naar het tuinpad, de vrouw en de open deur.  De voorbijgangster loopt ook mee, met de kat in de tas, achter de drie vrouwen aan. Maar die vinden dat ze genoeg heeft gedaan.

dis-storia-cat-solidianne
 

Koffie

Hij nam elke morgen de bus naar de stad voor een kop koffie. Zijn eerste kop koffie. Altijd in dezelfde lunchroom. Jaar in, jaar uit. Bus, lunchroom, koffie, bus. Hij zat meestal alleen, aan dezelfde tafel achter de houten, bruin geverfde wanden, de zaak te hard verlicht voor een vroege ochtend.
Ze liet zich niet aankijken, alsof bij het felle licht zijn blik teveel was, en schreef elke ochtend zijn bestelling – 1 koffie – op. Hij wachtte en hoopte dat ze die eens voor hem zou neerzetten zonder dat hij erom had hoeven vragen. Dan kon hij thuisblijven.

Di Storia Koffie Soli 2014
 
 

Dun

Terwijl ik knoflook hakte, vroeg ik mij af of hij bang was om dood te gaan.
De blauw met witte ruiten op het plastic tafelkleed waren vervaagd door het zoute zweet van leunen en waar een schoonmaakdoekje te hard had gewreven. Niets was echt verdwenen, de ruiten alleen wat lichter. Ik vroeg me af of, als ik harder zou wrijven alles wit zou worden. En ik wreef de dunne plekken dunner, zette er lege kommen op, en zo bleef de vraag over of hij bang was om dood te gaan.
Ik wist het niet. Vragen was wrijven over de dunne plekken.

Di Storia Ruiten Soli 2014
 
 

Het ei van Louis

Di Storia, Het ei van Louis, Soli 2014Elke zondag, om exact twaalf uur, deden wij aan gewoonte of traditie, als je het zo noemen wilt. Dan werden wij verwacht bij Louis.
Ik ben naar hem vernoemd: Louisa.
Louis woonde in een piepkleine flat op de eerste verdieping. Het rook er naar sigaretten, verschraald bier en lang getrokken soep, soms naar gestoofd konijn met azijn en uien. En een enkele keer naar verbrand gestoofd konijn met azijn en uien.
De voorkamer, achter de schuifdeuren, was eentonig ingericht met een mosgroen bankstel, twee dito stoelen, een dressoir en een formica tafel. Er hing geen sfeer, geen gezelligheid en hoewel we er iets van probeerden te maken, ik zie ik zie wat jij niet ziet, waren we daar snel uitgekeken. Het bleef een kille ruimte zonder ziel.

In de achterkamer was het pret. Daar stond het blauw van de rook, werd bier, zoete witte wijn en kleurstofgele frisdrank geschonken en op het transparante plastic tafelkleed lag een plankje met worst en kaas. Dat was de avond van tevoren klaargemaakt en had onder aluminiumfolie in de ijskast gestaan.
Bij binnenkomst, via het halletje naar de achterkamer, moesten wij onder de schreeuwarend door, vastgetimmerd op een houten plankje. Louis had de vogel na de oorlog uit Duitsland meegenomen. De arend had een wijd opengesperde kleine snavel, gespreide, immense vleugels en spiedende, gemene kraalogen. Als je goed luisterde, kon je hem nog horen schreeuwen:
Kyek, kyek, kyek
Het was voor mij een hoge drempel om over te gaan. Maar ook Louis spiedde naar ons, op de drempel onder de roofvogel. De vrouwelijke familieleden werden, zonder uitzondering, stevig tegen hem aangetrokken en daarbij vol op de mond gezoend. Niemand zei er wat van of duwde zich langs Louis over de drempel heen. Het leek wel een traditie van ontelbare lange seconden waar geen ontkomen aan was. Ik hield mijn lippen stijf op elkaar en boog mijn lichaam naar achter om zijn aanraking het minst te voelen.

Elke zondag was de eettafel met het plastic vergeelde tafelkleed het kleine middelpunt van de familie. Volle bak. Louis zat aan het midden van de tafel, zijn vaste plek, bij de ketel soep of het zure konijn.
Oom Ben was er ook altijd. Oom Ben kwam soms op zijn paard dat hij met de teugels aan de reling van het balkon vastmaakte. Het mocht niet, maar wij konden, staand op een bierkrat, via het balkon op de rug van het dier klimmen en verzonnen lange tochten.

Op een zaterdag lag een ei op de grond, onder de schreeuwarend. Louis had het opgeraapt en op het plastic tafelkleed gelegd.
Hij had ons op zondag, om twaalf uur precies, binnengelaten. Tegen zijn gewoonte in, had hij ons niet opgewacht en ongewenst omkneld bij de doorgang naar de woonkamer, maar was weer aan tafel gaan zitten. Dat was vreemd, maar de opluchting overheerste zo dat we er niet lang bij stilstonden.
Wij zagen het gebarsten ei onmiddellijk liggen, wit, getekend met roodbruine en grijze vlekken. Eigeel lag gestold op het plastic.
Er was geen soep, geen konijn in azijn en uien, geen kaas en geen worst. Alleen een ei dat ons vlekkerig aankeek op het middelpunt van de tafel. Wij namen het als vanzelfsprekend aan, roofvogels leggen eieren en dat het hier een opgezette roofvogel betrof, hadden we toch al niet geloofd: het beest was levensecht.
Onze ouders keken bezorgd en spraken met elkaar af. Niet bij Louis.
Louis zelf was ervan overtuigd dat zijn einde nabij was. Het eerste ei was een aankondiging van zijn naderende dood. De vogel moest weg.

De daaropvolgende zondag staarde een grijze lege plek ons aan. In het plafond zat een gat. Dat was op zijn minst vreemd, omdat er nog twee verdiepingen boven Louis’ flat waren. Er lagen nu drie gebroken eieren op tafel. Twee waren er uit het gat van het plafond komen vallen, zei Louis. Maar het huis rook naar soep en het plankje met worst en kaas stond klaar op tafel. Louis leek springlevend, al was hij wat stiller sinds het eerste ei en had hij zijn zoenende knelbegroeting ook ditmaal achterwege gelaten.
Onze ouders negeerden de eieren en het gat in het plafond. Het werd bijna een zondag als vanouds.
Na die tweede zondag werden de muren gewit, het plafond dichtgeplamuurd en de inmiddels rottende eieren weggegooid. Onze ouders spraken nergens meer over, ook niet buiten Louis om. Ze leken opgelucht. Oom Ben had de teugels losgemaakt van de balkonreling en we mochten om de beurt op de rug van het paard voor een ritje door de wijk.

De derde zondag bleef de deur gesloten, werden wij naar huis gestuurd en lag Louis in bed. Hij zag eruit alsof hij sliep, zei mijn moeder later. Op het fornuis stond een pan soep, in de ijskast de gesneden kaas en worst, afgedekt met aluminiumfolie.
De uitvaart was druk met alleen al honderdvijftig familieleden en een buitengewoon grote kennissenkring. Toen Louis’ kist in het graf zakte, moest ik huilen.

Leven gaat door voor de levenden, familie valt uit elkaar zonder de vaste bijeenkomsten.
Ik werd volwassen, trouwde, kreeg kinderen, scheidde, en Louis was nog maar af en toe in mijn gedachten. Vooral als ik soep rook of konijn met uien in azijn.
Toen ik eens, bij mijn ouders op bezoek, het voorval met de eieren aanhaalde, en zei dat Louis toch gelijk had gekregen door dood te gaan, keken zij alsof ze water zagen branden. Ik had dat gedroomd, zei mijn moeder stellig.
Misschien is mijn kinderfantasie wel op de loop gegaan met die akelige vogel boven de woonkamerdeur. Toch is het vreemd dat, toen ik met mijn lief foto’s ging maken op de oude begraafplaats, en waar ik het graf van Louis nog steeds niet heb teruggevonden, ik uit de bomen een geluid hoorde dat me sterk aan vroeger deed denken: kyek, kyek, kyek…   Mijn lief hoorde niks.

Soli 03-‘14

 
 

De formule

Di Storia De formule Soli 2014Die ochtend vond ze de ring: drie diamantjes, gezet in witgoud. Ze schudde het bankkussen op en zag het zwarte doosje. In ongeloof hield ze haar adem in: de ring was een klein vermogen waard!
Maar wanneer had hij die kostbaarheid aan haar willen geven? Haar verjaardag had ze net gevierd en hun huwelijksdag was pas over een half jaar…
Ze was opgetogen over zijn voorgenomen uiting van genegenheid. Het maakte veel goed.
Ze hadden het afgelopen jaar amper met elkaar doorgebracht, hij had het druk. Vergaderingen liepen regelmatig uit. Hij moest klanten werven, met ze dineren, en af en toe naar de sauna. Netwerken, zei hij.
Ze sliep al wanneer hij thuiskwam. En als ze niet sliep, omdat ze wilde vrijen, was hij te vermoeid om haar nog aan te raken, of wilde hij rapporten uitwerken die geen uitstel verdroegen. ‘s Morgens bereidde hij zich mentaal voor op een drukke dag terwijl hij de krant doornam.
Ze was teleurgesteld dat hij zo weinig tijd voor haar vrijmaakte. Maar hij bezwoer haar dat als de opdrachten binnen waren, hij een tijdje in rustiger vaarwater zou komen en dat hij dan een verrassing voor haar in petto had.

Waarom had hij het doosje achter het kussen verstopt, zo’n doorzichtige plaats?
Ineens wist ze waarom het daar lag! Voor het slapen gaan, ontkleedde hij zich in de woonkamer en legde zijn kledij over de leuning van de bank. Een onhebbelijke gewoonte die zij ‘s ochtends meteen aan kledinghangers hing. Het doosje was uit zijn broekzak achter het kussen gegleden!
Het zou een grote teleurstelling voor hem zijn als hij wist dat ze zijn cadeau gevonden had. Ze wilde hem die verrassing niet ontnemen.
De broek hing aan de scherpe vouwen op een hanger aan de kastdeur, ze moest opletten dat het doosje er niet opnieuw uitviel. Toen ze zich omdraaide, zag ze iets op de vloer liggen, een opgevouwen papiertje. Ze raapte het op. Het bleek een hotelrekening, een hotel in het centrum.
Het vermeldde hun beider namen, de datum van gisteren. Ze was geschokt. Zij was daar zeker niet geweest! Toen drong het tot haar door. Ze trok het doosje zo ruw uit de broekzak dat die uitscheurde en schoof de ring aan haar vinger. Hij paste niet.

Dit soort verhalen las ze bij de kapper. Hoe kon hij zo haar zo’n banale streek leveren? Zijn verschrikkelijke slordigheid stond gelijk aan pure arrogantie.
Ze beende naar zijn studeerkamer en zette zijn computer aan. Ze bekeek zijn e-mails en zijn zakelijke afspraken in zijn agenda. Die leken te kloppen. Hier kon ze niets vinden. Koortsachtig zocht ze verder in zijn documenten. Zonder resultaat. Ze trok de laden van zijn bureau open. Niets. Er moest iets in zijn computer opgeslagen zijn, want zijn mobiele telefoon lag altijd in het zicht. Als daar iets in zou staan, zou hij voorzichtiger zijn.
Al die uren achter zijn pc, zogenaamd voor werk! En had ze dat moeten geloven?
Ze wilde bewijs!

Het viel haar in dat er nog een ander e-mailprogramma bestond. Ze had dat ooit eens bij de kinderen van vrienden gezien. Ze zocht op Google naar e-mailprogramma’s. Haar ogen vlogen over de zoekresultaten. Dáár: HOTMAIL, een belachelijke naam, vond ze. Maar dat was het!
Ze las: Om een email te sturen, surf je naar Hotmail. Ze klikte op de link. Die was meteen raak: Doorgaan/ www. msn. nl / hotmail.
Ze werd licht in haar hoofd, voelde misselijkheid opkomen. In het venster dat zich opende, zag ze een e-mail adres staan: de_lovemaker@hotmail punt com. Hij had het de computer laten onthouden!

Waar had hij het domme lef vandaan gehaald om dit op de pc te laten staan? Hoe had hij haar in vredesnaam gezien: als de een of andere naïeve muts die toch niet achter zijn dubbele agenda zou komen? De LOVE maker! Maar dan toch niet bij haar.
Ze moest onmiddellijk zijn wachtwoord hebben!
Ze voerde haar eigen naam in en lachte smalend toen dat geen resultaat boekte. Het zou haar dan ook verbaasd hebben.
Ze liet allerhande mogelijkheden de revue passeren waarvan ze dacht dat ze belangrijk voor hem waren. Telkens een foutmelding.
Ze klikte op: Wachtwoord vergeten? Om uw wachtwoord opnieuw in te stellen, dient u eerst uw e-mail adres op te geven en de tekens in de onderstaande afbeelding over te nemen.

Ze ontwaarde scheve cijfers en letters en nam ze over, na het invoeren van zijn walgelijke e-mail adres.
U kunt uw wachtwoord op een van de volgende manieren instellen: bevestig uw accountgegevens en beantwoord uw geheime vraag.
Geheime vraag? In het venster stond, niet te geloven, de aanwijzing: Geboorteplaats van moeder?
God hebbe haar ziel! Wat een interessante beveiliging had hij voor zichzelf uitgezocht, ze kon meteen een nieuw wachtwoord instellen.
Ze was ineens doodmoe, maar triomf overheerste. Zijn post lag open, ze had zijn geheime leven gekraakt!
Alle avonden dat ze dacht dat hij aan het werk was, bracht hij met ene Annet Baksman door. Geen pseudoniem, nam ze aan. Via zijn infantiele e-mailadres had hij met haar afgesproken en voor vandaag stond er een neukafspraak tijdens de lunchpauze.
De e-mails waren doorspekt met kinderlijk verliefde woorden. Annets adres stond gewoon in zijn lijst!

Toen ze hem confronteerde, zag ze het: het befaamde spiertje bij zijn mondhoek trilde.
Hij was nerveus, concludeerde ze met voldoening. Altijd als hij nerveus was, trilde dat achterlijke spiertje.
Ze gooide de geprinte bewijzen op tafel. Nu hij inzag dat ontkennen geen zin had, nam hij een andere houding aan. In zijn ogen zag ze minachting. Ze schrok. Hij deed een stap naar achter toen hij haar onzekerheid zag. Was hij soms bang dat ze zich snikkend in zijn armen zou werpen en hem zou smeken bij haar te blijven? Dat nooit. Hij had haar stukgemaakt.
Hij zou het binnenkort toch wel verteld hebben, zei hij koel. Ze had dat zelf toch ook gemerkt? Ze waren uit elkaar gegroeid, hij wilde een scheiding. In Annet vond hij alles wat hij bij haar had gemist. Annet sprankelde, had een goede baan als bedrijfsjurist. Zij was een saaie muts, een huisvrouw. Wat hadden zij nog samen?
Zijn oppervlakkige onverschilligheid benam haar de adem. Alles had ze opzij gezet voor hem, alles! Al die jaren gooide hij achteloos weg, hij gooide haar gewoon weg!

Ze opende de kast en haalde de onderste plank los. Haar promotie mocht dan wel ‘uitgehuwelijkt’ zijn, haar proefschrift met de formule lag op een goed bewaarde plek.
Deze, zeer eenvoudige, chemische middelen had bijna iedereen in huis; als je ze maar in de juiste verhoudingen mengde. Uit de keukenla nam ze handschoenen en een hamer.

Hij keek haar ontzet aan toen ze de hamer op zijn hoofd sloeg. Ze had hem overvallen in bad. Verzet was zinloos, bloed liep langs zijn slaap. Ze sloeg, totdat ze hem niet meer hoorde kreunen. Met wat kledingstukken stelpte ze het bloed en propte het textiel in een vuilniszak. Ze stond verbaasd van haar gevoelloosheid, ze minachtte hem zelfs niet meer. Hij had afgedaan, moest zo snel mogelijk weg.
Buiten adem en trillend van de adrenaline draaide ze zich om, zijn ontbinding hoefde ze niet te zien. Ze was vergeten hoe geruisloos haar methode was. Ze hoorde slechts zacht bruisen.
Toen ze durfde kijken, zag ze alleen een beetje roestkleurig schuim dat ze door de afvoer spoelde. Diezelfde avond waren sporen gewist, zonk de hamer in de Maas en parkeerde ze de auto voor het huis van Annet Baksman. Ze stopte zijn bebloede kledingstukken onderin haar afvalcontainer en liep terug naar huis.

Een dag later zat ze in tranen bij de politie, haar man was niet thuisgekomen en vandaag ook niet op zijn werk verschenen. Dat was niks voor hem, zonder reden. Hij was veel onderweg, ja, maar lag elke nacht naast haar in bed. Hun huwelijk was goed, zo goed zelfs dat hij haar een ring had gegeven, ze liet het dure kleinood zien. Hij had geen reden om bij haar weg te gaan en als hij zo’n verrassing voor haar had gekocht, dan moest hun liefde toch wat waard zijn?
Fijn, dat de rechercheur zo meelevend was. Ze was erg ongerust, als er maar niks was gebeurd? En ja, natuurlijk mochten ze in de computer kijken, maar ze wist zijn wachtwoord niet.

Het gaf haar voldoening dat Annet Baksman moest gaan bewijzen dat ze niets met het misdrijf van doen had, die ging een moeilijke tijd tegemoet.
Zelf werd ze, buiten de huiszoeking en wat verhoren om, in haar hevige verdriet met rust gelaten.
Na een jaar, er was geen spoor van het lijk, werd de overlijdensakte getekend naar aanleiding van de wet: Doodverklaring bij vermissing, in rechtsvermoeden van overlijden.
Zij kon als treurende weduwe na enige tijd het verzekeringsgeld innen en verkocht de ring. Het gaf haar teveel pijn, zei ze tegen de meevoelende juwelier, dat haar man het kleinood nooit zelf om haar vinger had kunnen schuiven.

ds

 

De erfenis

 
Di Storia, Kat, Soli

Zijn dood was slechts een kleine schok voor me. Ik mis hem, maar verdriet heb ik niet. Eerlijk gezegd ben ik vooral blij dat ik er niet bij ben geweest. Hij is tussen andere benen gestorven; gelukkig niet tussen die van mij.
Dat hij meerdere bedgenotes had, heb ik altijd geweten. Het kon me niet schelen, er was geen liefde tussen ons. Ik viel voor zijn charme en zijn enthousiasme.
Het was uiteraard het geijkte verhaal: oudere hoogleraar gaat vreemd met studente. Maar hij was een goede minnaar, ervaren en gul. Dat was ik wel anders gewend. Hij gaf me het gevoel dat ik de enige was tussen zijn veroveringen. Ik speelde mee, profiteerde van zijn kennis. En van zijn viriliteit.

Het is een grotere schok als zijn weduwe belt, vijf weken na zijn dood. Ze vertelt dat ik ben bedacht in de nalatenschap. Ze wil me zien.
Volgens hem had ze van zijn buitenechtelijke avonturen geweten. Zo klinkt ze ook: een rustige stem die me beleefd toespreekt, geen hysterie van een bedrogen echtgenote.
Ik ben nieuwsgierig. We spreken af bij haar thuis.
Hij sprak over haar als een doortastende onafhankelijke vrouw. De reden van hun verstandshuwelijk, zoals hij het bijna achteloos noemde, heb ik nooit geweten. Ik heb er een keer naar gevraagd, maar hij omzeilde en verleidde. Ik liet hem in zijn ‘handigheidje’. Het interesseerde me ook niet echt.

Ze is het tegenovergestelde van wat ik me had voorgesteld. Op de een of andere manier zag ik haar als een struise blondine, ouder dan hij. De kleine, frêle vrouw die voor me staat, is, schat ik, maar een paar jaar ouder dan ik. Haar donkere haar hangt in losse krullen uit een slordig bij elkaar gebonden knot. Ze heeft een aparte kleur ogen, tussen groen en bruin, er staat een felle woede in te lezen. Haar neus en mond zijn gezwollen, haar huid is rood en vlekkerig. Onmiskenbaar van het huilen.
Ik zie hoe ze mij net zo monstert als ik haar.
Je zit in zijn stoel, zegt ze vinnig als ik ben gaan zitten in een gemakkelijk uitziende fauteuil, die verder nogal uit de toon valt bij de designinrichting. Ik wil opstaan, maar ze bijt me toe dat het nu niks meer uitmaakt. Ze zal wijn voor me halen, ze is zelf ook aan een glas toe, zegt ze. Ik draai onrustig op mijn zitplaats.

Op de vensterbank huizen vijf identieke katten, doodstil, alsof ze zijn opgezet.
Een kleine hond, een buldog, die mij eerder niet was opgevallen, maakt zich los uit een hoek van de kamer. Hij springt achter mijn rug in de stoel, wringt zich naar voren en likt uitbundig mijn hals. Ik houd in een reflex mijn hand voor mijn mond. Net op tijd.
Ik heb niet veel met honden, hij had dat ook niet, als ik me goed herinner. Ik ben dan ook verbaasd er hier een aan te treffen. Het beest is sterk en laat zich niet wegduwen. Hij snorkt harder in zijn biedende weerstand en kwijlt op mijn blouse.
Ach, zegt de weduwe als ze binnenkomt met een fles witte wijn – tussen de vingers van haar linkerhand hangen de stelen van twee glazen – Hij is nog steeds verliefd op je.
Ik probeer mijn gezicht in de plooi te houden. Ze is gek. Ze projecteert haar verdriet op de buldog!
Een van de ‘opgezette’ katten komt van de vensterbank, geeft kopjes langs mijn benen.
De vrouw sist: Ga op je plaats! De kat druipt af, met de staart tussen de poten, en springt terug naast de andere katten. Dat kan nog leuk worden. Een kat die zich gedraagt als een hond en een hond die voor haar man wordt aangezien.
De wijn is wrang, mijn mond trekt er van samen.
Laten we op hem proosten , zegt ze, en op zijn goede smaak qua vrouwen.
De term goede smaak is zeker niet op de wijn van toepassing, denk ik, terwijl ik hoop dat zich niets van mijn gezicht laat aflezen. De weduwe roept de buldog, die op haar voeten gaat liggen. Hij houdt zijn blik op mij gericht, volgt mijn bewegingen met droeve ogen.

Ik voel me ongemakkelijk in de stoel van mijn dode minnaar, in zijn woonkamer waar zijn woeste weduwe tegenover me zit, met een gepersonaliseerde hond, en katten die zich gedragen als een geslagen hond.
Waarom ik het pikte?, zegt ze, terwijl ze me doordringend aankijkt: Hij was alles wat ik niet durfde dromen. Ik hield, ze stopte abrupt en verbeterde: houd van die man, bevreesd dat hij bij me weg zou gaan als ik zijn affaires niet verdroeg. Ik deed alsof ik het hem gunde, waardoor hij steeds overmoediger werd en over jullie vertelde. Hij noemde namen en wie er speciaal voor hem was. Jij viel onder de speciale categorie.
Onbewust zal ik hebben geglimlacht, want ze sneert: Haal dat van je gezicht! Voor jullie was het een spel, jullie krolse katten. Jullie krabden zijn jeuk. Elke keer wat meer nagels in zijn vel, totdat hij morsdood neerviel. En wat bleef er voor mij over? Een lijst met zes namen in zijn testament en zijn wens om jullie iets te overhandigen.
Ik neem snel een grote slok van de wrange wijn. Ik zou willen opstaan, mij moeten excuseren tegenover deze vrouw die zichzelf vernedert, en naar huis gaan. Maar ik ben ook nieuwsgierig naar wat hij mij heeft nagelaten. Ik blijf zitten en drink.
De wijn went. De hond jankt. Plotseling kijkt hij me strak aan en springt recht voor me. Zijn tanden blikkeren en hij gromt als een bezetene. Ik voel hoe alle haartjes van mijn lijf reageren, hoe de rilling van mijn rug naar mijn nek gaat en de huid op mijn schedel samentrekt. Ik wil weg, maar mijn benen weigeren dienst. Verstijfd wacht ik de beet af die hij me zeker gaat toedienen. De vrouw roept: Ga af! Maar de hond wijkt niet.
Ze staat langzaam op, komt naar me toe, maar trekt de hond niet opzij. Ze legt haar hand op mijn schouder. Ik krom mijn rug. Ze streelt mijn wang, gaat met een vinger langs mijn mond, mijn sleutelbeen en mijn borst. Het grommen gaat over in janken, Ik houd mijn adem in. De angst vloeit weg onder haar aanraking en ik voel hoe ik geniet: spin…


ds

 

Wind

 

Hallo, zei hij en tegen ieder die hij tegen liep: Hallo.
Sommigen gingen snel door, met geveinsde haast, tegen de wind in. Anderen glimlachten klein, nauwelijks zichtbaar. Hij fladderde breed in zijn mouwen alsof hij wilde omarmen; een lus slaan om een tot staand gebracht lichaam. Hij leek een vlieger in een te hoge straat.
De herkenning vloog over haar gezicht. Een herkenning in paniek. Ze draaide, besluiteloos, een kwartslag en weer terug. Hij had haar niet gezien, hij zwaaide tegen een omstander die hem bij zijn fladderende mouwen nam en hem zacht van zich afduwde. Ze liep langzaam van hem weg, bang om de vlieger kapot te trappen als ze er de pas in zou zetten. Vanachter glas zag ze hoe hij langs haar heen waaide. Morgen, misschien morgen.

Di Storia Eggs Soli

De ontmoeting

Het was alsof er een dode hoek –zonder angst voor botsingen, waaraan gewoon voorbijgelopen werd, voor hem was opgezet. De enkeling die hem wel zag, omzeilde door te blijven staan en liet de kolos langs denderen.
Ik had hem niet herkend. Aan hetzelfde vlees en bloed was elke gelijkenis bezweken.
Hij hield mij staande door voor me te gaan staan; noemde mijn naam zoals vroeger. De grond nagelde me vast terwijl ik koortsachtig naar bekende trekken zocht. Omdat ik wist wie hij was maar het niet zag.
Ooit was hij te zwaar voor mijn lamme kinderarmen en gutste de zure lucht van opgeboerde babymelk op mijn smalle schouders. In de voorjaarslucht van nu kroop de geur van drank die waterig blauw en rood dooraderd in zijn ogen stond gebrand en die zijn gezichtshuid paars had opgezwollen.
We hadden ons uit het nest laten vallen, hij en ik, maar waren elkaar op weg naar beneden, kwijtgeraakt.
Ik deed verheugd en verrast, ook om mijn verwarring te ontkennen. Mond vol as. Hoofd vol schuim.
Het was alsof die dag zichzelf verzonnen had in een toneelstuk waarin de rollen nog niet waren verdeeld, zelfs niet geschreven. De acteurs kenden elkaar, hetzij oppervlakkig, hetzij uit een verwaterd contact. Ze tastten elkaar af. Hoe gaat het met je? (2x) Goed.(2x) Dat bijna gelijktijdig.
Andere woorden waren te groot geworden. Een tekst die door de voorgaande keren heen wel honderden malen werd gerepeteerd, werd vermeden in het daadwerkelijke moment. Elk woord woog, er mocht geen angst, geen liefde en geen verwijt in doorklinken. En vooral geen verleden. Elke aarzeling ging niet verder dan: Hoe gaat het met je?
Ik struikelde over een wanhopige tong die in alle toonaarden zweeg om elke emotie te dempen. Als hij een deur had die hij dicht kon doen, barricadeerde hij die met zorgvuldig dichtgetimmerde latten en maakte de ramen onzichtbaar. Hij liet zijn rug al doorschemeren in een halve draai. Hij had me gezien, dat was genoeg.
Ik had ontelbare malen gedroomd dat ik hem in een verouderd krantenbericht had gevonden. Een onaanraakbare dood, al begraven. Hij stierf zichzelf langzaam uit in drank terwijl hij zich voor jaren spoorloos uit de voeten maakte tot hij weer ergens opdook en alleen het toeval voor een kleine ontmoeting zorgde. Want meer was het nooit. Maar nu leefde hij weer even voor me in een scenario van twee zinnen. Hoe gaat het met je? Goed.

Di Storia 'Timelapse'  Soli 2013