Smeltijs

di-storia-smeltijs-solidianne

Er waait een gure driftige wind. De koude maakt de aarde bleek en asfalt barst onder het zout.
Rechtop lopen, zegt zij in zijn hoofd, dan heb je minder last van de kou. Hij trekt zijn nek tussen zijn schouderbladen en kromt zijn rug.

Het is niet ver naar de bushalte, maar hij heeft de vermoeide houding van iemand die elke stap teveel is. Als hij de bus de hoek om ziet komen, versnelt hij even zijn pas, steekt zijn hand op totdat hij zich er van vergewist heeft dat de chauffeur hem in het oog heeft gekregen.
‘Als je wist hoeveel mooie vrouwen in de bus zitten, had je wel wat harder gelopen’, zegt die goedmoedig. Hij glimlacht flauw en ziet een vrouw die haar tanden laat zien, in een vreemde grijns, alsof ze elk moment kan opveren; hem zal bedekken als een hongerig dier. Hij laat zich op een leeg bankje zakken, achter de middendeuren en zucht diep.
‘Moe?’, vraagt zij in zijn gezichtsveld, ze heeft een hese grommende stem. Ook dat nog.
Hij geeft geen antwoord, doet of hij haar contactbegerigheid niet heeft gehoord en kijkt naar buiten.
De bomen zijn met ijs beslagen, zwart-witte staketsels tegen een vaalgrijze lucht. Hij vraagt zich af hoe daar een lente in moet groeien. Alles lijkt dor en van een rampzalige dood.

Van alle seizoenen hield ze het meest van de lente. Als ze de knoppen in de twijgen had kunnen kijken, dan had ze dat gedaan. Ze was kinderlijk enthousiast als ze hem wees op het prille ontluiken: ‘Je kijkt niet, kijk dan, vannacht is al het groen aangeregen, en alles ruikt al naar appel- en vanille-ijs.’

Hij voelt hoe zijn mond zich rondt tot een glimlach. De schok van het voelen van de glimlach lijkt ervoor te zorgen dat haastig opkomend maagzuur in zijn middenrif brandt terwijl de bijtende gal tergend langzaam doorstroomt naar zijn slokdarm en in zijn keel blijft steken.

De middendeuren in de bus klappen open. Er gaat niemand uit maar iemand komt binnen. Hij kan haar niet missen, zo vet is ze, denkt hij hatelijk. Ze houdt een geplastificeerde kaart in de lucht, richting chauffeur. ‘Het is goed’, roept die, half omgedraaid, terwijl hij zijn blik gretig op haar achterwerk vestigt.

Als hij een tas had, waarmee hij de plaats tegenover hem bezet kon houden, zou hij niet aarzelen. Nu moet hij lijdzaam toezien hoe ze hem het uitzicht beneemt: hij kan niet anders dan naar haar kijken. Ondanks zijn weerzin wordt zijn blik aangezogen door haar imposante verschijning.
Ze draagt een prettig licht parfum dat hem aangenaam verrast, een bruinroze jas van suèdine die ze open heeft geknoopt zodat hij zicht heeft op haar indrukwekkende boezem. Maar wat hem het meest fascineert is haar gezicht. De ogen klein en smal, liggen diep naar achteren boven opbollende wangen. Haar neus is breed en iets afgeplat met daaronder spitse roodgestifte lippen die op een grappige manier omhoog krullen. Een sikkelmaan, denkt hij.
Ze kijkt hem onderzoekend aan, lacht hem toe met die sikkelmanenmond. Haar korte geelblonde haar staat recht omhoog. Een varkensharen penseel! Ze lijkt ook op een varken, denkt hij nors.
Schaam je!, zegt zij bits in zijn hoofd. Hij schrikt zo van haar onverwachte bemoeienis dat hij naar voren schiet, alsof de buschauffeur vol op zijn remmen is gaan staan. Hij zet zich af tegen de borsten. Vol en zwaar liggen ze onder zijn handen die hij langzaam terugtrekt terwijl hij in gedachten de rondingen volgt, het zachte vel dat onder zijn handen rilt. Hij voelt hoe zijn penis pijnlijk drukt.

Ze zit op zijn schoot, haar gezicht naar hem toe. Haar bovenkleding heeft ze uit. Ze heeft mooie stevige borsten. Hij speelt met haar tepels. Hij voelt hoe haar lichaam reageert, meer verlangt, haar handen knijpend in zijn bovenarmen, terwijl haar ogen de zijne doorboren zonder hem echt te zien. Ze ontvangt.

Ze zegt niets over het feit dat zijn handen net ergens lagen waar ze niet thuishoorden. Op zijn gemompeld excuus reageert ze met een strak wegkijken naar het kille bleke landschap. Haar ogen lijken nu minder diep in haar gezicht te liggen. Hij ziet hoe smaragdgroen ze zijn. Ze zijn mooi. Als van een kat. Er ligt een blos op haar gezicht. Hij moet zijn blik van haar afwenden, maar dat blijft onmogelijk. Ze wil dat hij naar háár kijkt.
De bus staat stil. Ze staat op. Ze kijkt hem niet aan. Hij ziet een man die haar opwacht, die haar kust. Het spijt hem dat zij er niet meer is. Ze liet hem rechter lopen.
Nog zeven haltes.
In zijn handen klemt hij een roze knoop, zacht en bollend als een tepel.



ds

Torenkamer

Di Storia, Hakken in de regen, Soli











De kamer lijkt zo gewoon. Er staan bloemen in de vaas, er liggen koekjes in de schaal maar alle stoelen staan in een kring om de tafel.
Mijn familie druppelt binnen. Oma zit op de bank, een zakdoek voor haar gezicht.
Ik kijk naar mijn moeder die koffie schenkt. Haar lippen knijpen tot een witte streep. Buurvrouw komt me zo halen, had ze – kortaf – gezegd.

Je hebt niks aan verdriet, zegt oma: Je begrijpt er toch niks van.
Ik begrijp het ook niet. Opa is dood, zeggen ze, maar gisteren zette hij nog een vuursteentje in de kleine aansteker die ik uit de kauwgomballenautomaat had getrokken. Hij lag toen al op een groot wit kussen en ademde moeilijk. Hij leek zo klein. Nu is zijn adem op, zegt mijn moeder.
Ik houd mijn adem in; mijn borstkas spant zich aan. Kan adem opraken, zoals een ballon die langzaam leegloopt?
Er wordt gehuild. Ik kijk ernaar maar voel alleen maar pijn in mijn buik, schaam me dat ik geen tranen heb.
Op de trap, onder de kapstok waar de jassen als een grote berg over elkaar heen hangen, ga ik zitten. Mijn gezicht half onder het stof van opa’s mantel; oma nam hem mee, samen met zijn stok die tegen de muur van de gang staat.
Ik knipper hard met mijn wimpers, doe dan mijn ogen zo stijf dicht dat ze vochtig worden.
Ze knijpen in mijn wang, de voorbijgangers die mijn ooms en tantes zijn. Ik ben boos en ik wil geen troost.

Opa was een bouwer. Hij tekende huizen en kerken met stevige torens die tegen een stootje konden. Ik haal mijn blokkendoos tevoorschijn en bouw torens tot ze zo hoog zijn dat ze omvallen. Ik stop blokken in mijn sokken, als hoge hakken. Zo ben ik groot, zoals de anderen; nu zal ik het vast begrijpen, de dood.
Mijn voeten doen pijn, maar ik balanceer de kamer binnen. Dan verzwik ik mijn enkel, de blokken steken in mijn vlees. Ik verbijt mijn tranen.
Ach, zegt oma: Ik geloof dat het nu pas tot haar door begint te dringen.



ds


Het bijbehorende gedicht staat bij Jansma & Soli