Verdwaasd geluk

Di Storia, Tijd, Soli

In de stad waar ik een vreemde ben,
sjouw ik het bekende –  niet het vertrouwde  –
zie ik de man in de bus,
vervreemd van wie hij vroeger was.

Hij sleept zijn leven in een tas,
kijkt naar zijn stad  –  de straten
die de bus aandoet  –
en vraagt blijmoedig waar ik woon.

Er is verdwaasd geluk voor nodig
denk ik; een zekere weemoed
om een hoek die niet wil komen
en wat er wordt vergeten,

maakt dat geen dag meer langer wordt,
het slepen maar zo kort. Och, de tijd:
hij maakt ons onverhoopt verloren
en in de grond gelijk.


ds


Een bankje en een ander later

Di Storia, Bankje, Soli














  Op de tuinbank zit mijn opa, zijn ogen
  blik  – waar denkt hij aan?
  Hij morst met toen door dan en nu:
  het is verruild voor ander later.

  Op het gras ligt heim en wee, aan zijn voeten
  stopselsokken en rood doorschijnend snoeppapier.
  We maakten er gekleurde brillen van, die zomer:
  de reiger: een flamingo; een kuifmees: kardinaal.

  De vogels zijn geen vogels meer, maar vleugels
  zonder naam. Het kind is uitgevlogen, keert
  soms terug; dan fluit hij het moment
  dat ik vergeten ben.


ds