Josephine


Soms voel je iets in je bewegen bij het zien van een onbekend graf. Bij mij was dat bij de witte tombe waarin Joséphine Verazzi-Faniel begraven ligt: de verbeelding van de dood in al zijn dramatiek. Naast het feit dat ik de sculptuur van de beeldhouwer Andrea Malfatti mooi vond, ontroerde me de verstilde beeltenis van de liggende vrouw en het kind dat zich, op zijn knietjes, over haar heen buigt.
Fu sposa e madre modello, zij was een modelvrouw en moeder, staat er in de steen te lezen.

Di Storia, Graftombe, Soli













Het gezicht van de vrouw, maar vooral het gezicht van het kind, is door erosie en vervuiling erg verweerd.

De tijd maakt veel kwijt maar soms is er nog iets van terug te vinden. Na wat zoeken vond ik tot mijn verrassing iets van Joséphines leven in deze bron: de ‘Biografie van het leven van Pietro Verazzi Cavaliero,vice-president van de Italiaanse Kamer van Koophandel in Parijs’.
Als ik naar hem had gezocht had ik veel gevonden.

Joséphine Francoise Faniel is dertig jaar oud als ze de Italiaanse Pietro Verazzi ontmoet. Hij is, na jarenlange omzwervingen (Frankrijk, Italië, Argentinië) in verschillende beroepen, inkoper van goederen en schepen, en reist om die reden vaak naar Parijs. Zijn echtgenote is het jaar daarvoor, tijdens zo’n reis, gestorven in Buenos Aires dat door de gele koorts wordt geteisterd (1871).
In 1872, tijdens een treinreis van Parijs naar Milaan, ontmoet hij de Franse Joséphine (uit Grenoble). Ze trouwen in Parijs. Pietro geeft zijn broer de opdracht om een huis met zes kamers te bouwen op de fundering van een oud huis van zijn ouders in Caprezzo, maar pas na vijf jaar, in 1877, krijgen ze een dochter, Aimée Marie Ritta, die in Parijs geboren wordt.

Aimée is twee jaar als Joséphine in november 1879 overlijdt, in de leeftijd van zevenendertig jaar. Voor ze sterft vraagt ze Pietro te trouwen met de Caprese Marianna die daardoor de zorg voor dochter Aimée op zich kan nemen. Pietro vervult Joséphines wens nog in datzelfde jaar door met Marianna te trouwen en ze gaan met Aimée terug naar Parijs.

Aimée werd zevenenzeventig jaar (1954, Parijs) en ligt in hetzelfde graf begraven als haar moeder; waarin ook haar stiefmoeder en de familie Verazzi is bijgelegd.

Di Storia, Graftombe, voetjes, Soli
















ds

Bron:http://bruno.verazzi.pagesperso-orange.fr/histoire.htm
Foto’s: Soli, Begraafplaats Père-Lachaise, 2012


Raam

Toen de boodschapper het onheil bracht, bleef het stil heel lang stil, tot de dreun de tafel raakte en resoneerde in de ruiten; terwijl hij niet wist hoe te sterven, hoe te overleven in de val, beukte zijn vuist op morzelhout, met treurig blauwe polsen.

Di Storia, Raam, Soli















Hij zit in zijn stoel, kijkt naar buiten. De wereld in een kader. Hij ziet de bomen aan de overkant, de auto’s voor het stoplicht. Mensen met een hond, mensen met een doel, denkt hij. Hij kijkt en observeert de dagelijkse gang vanuit zijn raam.
Wanneer is hij opgehouden deel te nemen? Hij weet het niet meer en ook niet of het er toe doet.
Hij krijgt zijn koffie, zijn boterhammen en zijn warm eten. Hij hoeft er de deur niet voor uit. Zijn leven ligt buiten, in het zicht vanuit zijn stoel aan tafel.
Als het donker wordt, de lamp aan, houdt het leven halt. Dan denkt hij aan wat voorbij is, wat stilstaat en geen wielen heeft die verder rijden. Hij staat op, gaat slapen en daartussenin zit een raam.

Soms komen bezoekers. Ze belemmeren zijn zicht. Hij wordt gedwongen de andere kant op te kijken, naar binnen. Hij kijkt naar hen zonder echt te zien. Ze komen ook niet voor hem. Hij hoeft geen gesprek gaande te houden.
Zijn vocabulaire bestaat uit een paar woorden, haast onverstaanbaar, met tegenzin, uitgesproken omdat ze hem verstoren, afleiden van wat buiten ligt: ‘Ja. Nee. Ik wil niet.’ Meer heeft hij niet nodig.

Zij kijkt naar hem van achter het raam. Ze is opgehouden met te willen begrijpen. Ze begrijpt wel dat de klap hard aankwam. Maar die klap was voor haar even hard.
Hoe moeilijk ook, het leven gaat verder, moet verder gaan om niet gek te worden van het gemis. Ze spaart hem maar wie spaart haar?
Ze doet wat ze kan. Als ze weggaat, zorgt ze dat er koffie is, liggen zijn boterhammen in aluminiumfolie op de tafel. Ze is terug voor hij merkt dat ze weg is geweest.
Ze vraagt zich soms af hoe het met hem verder moet als ze eerder sterft dan hij. Maar het enige dat hij nodig heeft is een stoel en een raam, denkt ze bitter.
Het is wel eens in haar opgekomen lang weg te blijven of misschien helemaal niet meer terug te komen. Even. Maar haar terugkomst valt haar steeds moeilijker.
Ze praat tegen hem, bij wie ze was, wie haar aangesproken heeft in de gang. Ze weet niet of hij luistert aan het raam. Ze zwijgt over haar verdriet, vraagt zich af of ze nog van hem houdt.
Hij was nooit een prater maar zijn glimlach was altijd voor haar. Ze zoekt bij zijn mondhoeken die onbeweeglijk naar beneden hangen, zijn ogen die niet naar haar kijken.
Ze denkt aan de dag dat ze kwamen, boodschappers met stille ogen, onbeweeglijke mondhoeken. Wat ze niet zeiden greep haar naar de keel. Voordat ze spraken, had ze het al gehoord.
Hij sloeg met zijn vuisten op tafel alsof hij het hout wilde vermorzelen. De kracht van de onmacht.
In de kerk zat hij niet naast haar, stond hij niet naast haar toen ze afscheid nam. Hij zat aan tafel en keek naar buiten. Het raam sneed hen af, het glas weerspiegelde vlijmscherpe eenzaamheid.

Hij zit bewegingloos in zijn stoel. Ze heeft het eerst niet in de gaten. Maar zijn koffie staat onaangeroerd, zijn boterhammen drogen langzaam uit. Ze praat tegen hem, gewend aan de stilte.
Ze kijkt naar het brood, vraagt of het hem niet smaakt, voordat ze echt naar hem kijkt en ziet dat zelfs het raam geen aandacht meer behoeft.
Het is alsof haar borst wijder wordt, haar adem nergens meer tegenaan botst.

De begrafenis beleeft ze in verdriet, haar tranen stromen niet voor hem. Wie kan ze uitleggen dat de ruimte in haar vrij spel heeft?
Als ze thuis is, doet ze de gordijnen dicht om hem niet te hoeven zien, klinkt haar rouw als rinkelend glas.



DS