De erfenis

 
Di Storia, Kat, Soli

Zijn dood was slechts een kleine schok voor me. Ik mis hem, maar verdriet heb ik niet. Eerlijk gezegd ben ik vooral blij dat ik er niet bij ben geweest. Hij is tussen andere benen gestorven; gelukkig niet tussen die van mij.
Dat hij meerdere bedgenotes had, heb ik altijd geweten. Het kon me niet schelen, er was geen liefde tussen ons. Ik viel voor zijn charme en zijn enthousiasme.
Het was uiteraard het geijkte verhaal: oudere hoogleraar gaat vreemd met studente. Maar hij was een goede minnaar, ervaren en gul. Dat was ik wel anders gewend. Hij gaf me het gevoel dat ik de enige was tussen zijn veroveringen. Ik speelde mee, profiteerde van zijn kennis. En van zijn viriliteit.

Het is een grotere schok als zijn weduwe belt, vijf weken na zijn dood. Ze vertelt dat ik ben bedacht in de nalatenschap. Ze wil me zien.
Volgens hem had ze van zijn buitenechtelijke avonturen geweten. Zo klinkt ze ook: een rustige stem die me beleefd toespreekt, geen hysterie van een bedrogen echtgenote.
Ik ben nieuwsgierig. We spreken af bij haar thuis.
Hij sprak over haar als een doortastende onafhankelijke vrouw. De reden van hun verstandshuwelijk, zoals hij het bijna achteloos noemde, heb ik nooit geweten. Ik heb er een keer naar gevraagd, maar hij omzeilde en verleidde. Ik liet hem in zijn ‘handigheidje’. Het interesseerde me ook niet echt.

Ze is het tegenovergestelde van wat ik me had voorgesteld. Op de een of andere manier zag ik haar als een struise blondine, ouder dan hij. De kleine, frêle vrouw die voor me staat, is, schat ik, maar een paar jaar ouder dan ik. Haar donkere haar hangt in losse krullen uit een slordig bij elkaar gebonden knot. Ze heeft een aparte kleur ogen, tussen groen en bruin, er staat een felle woede in te lezen. Haar neus en mond zijn gezwollen, haar huid is rood en vlekkerig. Onmiskenbaar van het huilen.
Ik zie hoe ze mij net zo monstert als ik haar.
Je zit in zijn stoel, zegt ze vinnig als ik ben gaan zitten in een gemakkelijk uitziende fauteuil, die verder nogal uit de toon valt bij de designinrichting. Ik wil opstaan, maar ze bijt me toe dat het nu niks meer uitmaakt. Ze zal wijn voor me halen, ze is zelf ook aan een glas toe, zegt ze. Ik draai onrustig op mijn zitplaats.

Op de vensterbank huizen vijf identieke katten, doodstil, alsof ze zijn opgezet.
Een kleine hond, een buldog, die mij eerder niet was opgevallen, maakt zich los uit een hoek van de kamer. Hij springt achter mijn rug in de stoel, wringt zich naar voren en likt uitbundig mijn hals. Ik houd in een reflex mijn hand voor mijn mond. Net op tijd.
Ik heb niet veel met honden, hij had dat ook niet, als ik me goed herinner. Ik ben dan ook verbaasd er hier een aan te treffen. Het beest is sterk en laat zich niet wegduwen. Hij snorkt harder in zijn biedende weerstand en kwijlt op mijn blouse.
Ach, zegt de weduwe als ze binnenkomt met een fles witte wijn – tussen de vingers van haar linkerhand hangen de stelen van twee glazen – Hij is nog steeds verliefd op je.
Ik probeer mijn gezicht in de plooi te houden. Ze is gek. Ze projecteert haar verdriet op de buldog!
Een van de ‘opgezette’ katten komt van de vensterbank, geeft kopjes langs mijn benen.
De vrouw sist: Ga op je plaats! De kat druipt af, met de staart tussen de poten, en springt terug naast de andere katten. Dat kan nog leuk worden. Een kat die zich gedraagt als een hond en een hond die voor haar man wordt aangezien.
De wijn is wrang, mijn mond trekt er van samen.
Laten we op hem proosten , zegt ze, en op zijn goede smaak qua vrouwen.
De term goede smaak is zeker niet op de wijn van toepassing, denk ik, terwijl ik hoop dat zich niets van mijn gezicht laat aflezen. De weduwe roept de buldog, die op haar voeten gaat liggen. Hij houdt zijn blik op mij gericht, volgt mijn bewegingen met droeve ogen.

Ik voel me ongemakkelijk in de stoel van mijn dode minnaar, in zijn woonkamer waar zijn woeste weduwe tegenover me zit, met een gepersonaliseerde hond, en katten die zich gedragen als een geslagen hond.
Waarom ik het pikte?, zegt ze, terwijl ze me doordringend aankijkt: Hij was alles wat ik niet durfde dromen. Ik hield, ze stopte abrupt en verbeterde: houd van die man, bevreesd dat hij bij me weg zou gaan als ik zijn affaires niet verdroeg. Ik deed alsof ik het hem gunde, waardoor hij steeds overmoediger werd en over jullie vertelde. Hij noemde namen en wie er speciaal voor hem was. Jij viel onder de speciale categorie.
Onbewust zal ik hebben geglimlacht, want ze sneert: Haal dat van je gezicht! Voor jullie was het een spel, jullie krolse katten. Jullie krabden zijn jeuk. Elke keer wat meer nagels in zijn vel, totdat hij morsdood neerviel. En wat bleef er voor mij over? Een lijst met zes namen in zijn testament en zijn wens om jullie iets te overhandigen.
Ik neem snel een grote slok van de wrange wijn. Ik zou willen opstaan, mij moeten excuseren tegenover deze vrouw die zichzelf vernedert, en naar huis gaan. Maar ik ben ook nieuwsgierig naar wat hij mij heeft nagelaten. Ik blijf zitten en drink.
De wijn went. De hond jankt. Plotseling kijkt hij me strak aan en springt recht voor me. Zijn tanden blikkeren en hij gromt als een bezetene. Ik voel hoe alle haartjes van mijn lijf reageren, hoe de rilling van mijn rug naar mijn nek gaat en de huid op mijn schedel samentrekt. Ik wil weg, maar mijn benen weigeren dienst. Verstijfd wacht ik de beet af die hij me zeker gaat toedienen. De vrouw roept: Ga af! Maar de hond wijkt niet.
Ze staat langzaam op, komt naar me toe, maar trekt de hond niet opzij. Ze legt haar hand op mijn schouder. Ik krom mijn rug. Ze streelt mijn wang, gaat met een vinger langs mijn mond, mijn sleutelbeen en mijn borst. Het grommen gaat over in janken, Ik houd mijn adem in. De angst vloeit weg onder haar aanraking en ik voel hoe ik geniet: spin…


ds

 

November 12

De verbijstering maakt alle woorden stil. We zijn vluchters in een spiegelende straat bij het uitvaartcentrum. We roken of doen alsof om maar even niet gewoon door te ademen. We willen er niet in geloven, leven zonder hem maar vonden dat met hem ook al ongeloofwaardig. (12-11-2010)

We waren meer dan dertig jaar vrienden, groeiden praktisch met elkaar op. Hij was de vriend van mijn vriend die jaren later mijn man werd. Hij was mijn getuige bij mijn huwelijk en was er ook getuige van hoe een huwelijk wreed kan breken. Maar vriendschap hoeft niet te breken, niet te kiezen, al deed het hem pijn om het onomkeerbare tussen zijn vrienden niet ongedaan te kunnen maken.
Het was een innige vastgegroeide vriendschap tussen ons die alle ruimte liet en die nu na zijn dood, precies drie jaar geleden, gapend zwart zichtbaar is tussen ons, zijn vrienden.
‘Ik zal de vissen niet meer vrijlaten’, zeg ik hardop.
We waren achttien, trokken de horizon achter ons aan. We gingen forel vangen voor het avondeten; zaten in een gammele roeiboot.
De vissen zwommen hun dood tegemoet in het net en ik liet ze vrij. Hij werd boos: of ik soms op een houtje wilde bijten?
De gebakken forel was lekker, hij had ze met citroen en kruiden in zilverfolie gewikkeld, stukken beter dan een karig houtje. Zie je nou wel, zegt zijn stem…

Ik heb een dialoog in mijn eentje. Even daarvoor kwam hij binnen. Hij rook naar buiten. De wind waaide met hem mee. Ik kan me niet meer herinneren welk jasje hij aanhad maar zijn geur heb ik onthouden en dat karakteristieke hoedje.
Ik klop melk op in een steelpan. Hij dronk zijn koffie zwart behalve als ik opgekookte melk klopte. Op de een of andere manier als ik driftig schuim sla, zit hij aan tafel. We praten. Ik praat, hij luistert.
‘Je hebt mijn nieuwe huis, mijn inrichting niet meer kunnen zien. Vrijwel alles gekregen. Opgeknapt. Ik voel me er goed bij en het past ook meer bij mij. Moet de muren nog doen, de kast…’

Ik kijk naar de lege plek, zijn vaste plek als hij er was, het hoedje dat onzichtbaar prominent op tafel ligt en naar de stoel waar hij nooit op heeft gezeten.
Maar hij is er nu even, mijn beste vriend, en ik leid hem in gedachten rond. Hij had zich zorgen gemaakt over mij, de scheiding.
‘Maak je geen zorgen over mij. Alles is goed zoals het is gegaan’, zeg ik alsof hij mij kan horen. ‘Maar je had niet dood moeten gaan. Dan had ik je dat nog kunnen vertellen’.
Hij had zijn warme handen op mijn schouders gelegd en ik had even tegen hem aangeleund omdat ik, nog in een verdrietige cirkel, niet wist dat het goed was. Hij voelde zich toen net zo onmachtig als ik.
Nu leg ik zijn handen, bijna voelbaar, terug en zeg nog een keer dat het goed is gegaan met mij. En dat ik hem verdomme mis. Maar dan is hij al weggegaan, zoals hij ook, toen hij nog leefde, altijd maar een kleine twee uur bleef, naar zijn vrouw en kinderen die hem harder missen dan ik. Maar goede vrienden komen altijd terug.

Di Storia, Appelboom 2013









Smeltijs

di-storia-smeltijs-solidianne

Er waait een gure driftige wind. De koude maakt de aarde bleek en asfalt barst onder het zout.
Rechtop lopen, zegt zij in zijn hoofd, dan heb je minder last van de kou. Hij trekt zijn nek tussen zijn schouderbladen en kromt zijn rug.

Het is niet ver naar de bushalte, maar hij heeft de vermoeide houding van iemand die elke stap teveel is. Als hij de bus de hoek om ziet komen, versnelt hij even zijn pas, steekt zijn hand op totdat hij zich er van vergewist heeft dat de chauffeur hem in het oog heeft gekregen.
‘Als je wist hoeveel mooie vrouwen in de bus zitten, had je wel wat harder gelopen’, zegt die goedmoedig. Hij glimlacht flauw en ziet een vrouw die haar tanden laat zien, in een vreemde grijns, alsof ze elk moment kan opveren; hem zal bedekken als een hongerig dier. Hij laat zich op een leeg bankje zakken, achter de middendeuren en zucht diep.
‘Moe?’, vraagt zij in zijn gezichtsveld, ze heeft een hese grommende stem. Ook dat nog.
Hij geeft geen antwoord, doet of hij haar contactbegerigheid niet heeft gehoord en kijkt naar buiten.
De bomen zijn met ijs beslagen, zwart-witte staketsels tegen een vaalgrijze lucht. Hij vraagt zich af hoe daar een lente in moet groeien. Alles lijkt dor en van een rampzalige dood.

Van alle seizoenen hield ze het meest van de lente. Als ze de knoppen in de twijgen had kunnen kijken, dan had ze dat gedaan. Ze was kinderlijk enthousiast als ze hem wees op het prille ontluiken: ‘Je kijkt niet, kijk dan, vannacht is al het groen aangeregen, en alles ruikt al naar appel- en vanille-ijs.’

Hij voelt hoe zijn mond zich rondt tot een glimlach. De schok van het voelen van de glimlach lijkt ervoor te zorgen dat haastig opkomend maagzuur in zijn middenrif brandt terwijl de bijtende gal tergend langzaam doorstroomt naar zijn slokdarm en in zijn keel blijft steken.

De middendeuren in de bus klappen open. Er gaat niemand uit maar iemand komt binnen. Hij kan haar niet missen, zo vet is ze, denkt hij hatelijk. Ze houdt een geplastificeerde kaart in de lucht, richting chauffeur. ‘Het is goed’, roept die, half omgedraaid, terwijl hij zijn blik gretig op haar achterwerk vestigt.

Als hij een tas had, waarmee hij de plaats tegenover hem bezet kon houden, zou hij niet aarzelen. Nu moet hij lijdzaam toezien hoe ze hem het uitzicht beneemt: hij kan niet anders dan naar haar kijken. Ondanks zijn weerzin wordt zijn blik aangezogen door haar imposante verschijning.
Ze draagt een prettig licht parfum dat hem aangenaam verrast, een bruinroze jas van suèdine die ze open heeft geknoopt zodat hij zicht heeft op haar indrukwekkende boezem. Maar wat hem het meest fascineert is haar gezicht. De ogen klein en smal, liggen diep naar achteren boven opbollende wangen. Haar neus is breed en iets afgeplat met daaronder spitse roodgestifte lippen die op een grappige manier omhoog krullen. Een sikkelmaan, denkt hij.
Ze kijkt hem onderzoekend aan, lacht hem toe met die sikkelmanenmond. Haar korte geelblonde haar staat recht omhoog. Een varkensharen penseel! Ze lijkt ook op een varken, denkt hij nors.
Schaam je!, zegt zij bits in zijn hoofd. Hij schrikt zo van haar onverwachte bemoeienis dat hij naar voren schiet, alsof de buschauffeur vol op zijn remmen is gaan staan. Hij zet zich af tegen de borsten. Vol en zwaar liggen ze onder zijn handen die hij langzaam terugtrekt terwijl hij in gedachten de rondingen volgt, het zachte vel dat onder zijn handen rilt. Hij voelt hoe zijn penis pijnlijk drukt.

Ze zit op zijn schoot, haar gezicht naar hem toe. Haar bovenkleding heeft ze uit. Ze heeft mooie stevige borsten. Hij speelt met haar tepels. Hij voelt hoe haar lichaam reageert, meer verlangt, haar handen knijpend in zijn bovenarmen, terwijl haar ogen de zijne doorboren zonder hem echt te zien. Ze ontvangt.

Ze zegt niets over het feit dat zijn handen net ergens lagen waar ze niet thuishoorden. Op zijn gemompeld excuus reageert ze met een strak wegkijken naar het kille bleke landschap. Haar ogen lijken nu minder diep in haar gezicht te liggen. Hij ziet hoe smaragdgroen ze zijn. Ze zijn mooi. Als van een kat. Er ligt een blos op haar gezicht. Hij moet zijn blik van haar afwenden, maar dat blijft onmogelijk. Ze wil dat hij naar háár kijkt.
De bus staat stil. Ze staat op. Ze kijkt hem niet aan. Hij ziet een man die haar opwacht, die haar kust. Het spijt hem dat zij er niet meer is. Ze liet hem rechter lopen.
Nog zeven haltes.
In zijn handen klemt hij een roze knoop, zacht en bollend als een tepel.



ds

Torenkamer

Di Storia, Hakken in de regen, Soli











De kamer lijkt zo gewoon. Er staan bloemen in de vaas, er liggen koekjes in de schaal maar alle stoelen staan in een kring om de tafel.
Mijn familie druppelt binnen. Oma zit op de bank, een zakdoek voor haar gezicht.
Ik kijk naar mijn moeder die koffie schenkt. Haar lippen knijpen tot een witte streep. Buurvrouw komt me zo halen, had ze – kortaf – gezegd.

Je hebt niks aan verdriet, zegt oma: Je begrijpt er toch niks van.
Ik begrijp het ook niet. Opa is dood, zeggen ze, maar gisteren zette hij nog een vuursteentje in de kleine aansteker die ik uit de kauwgomballenautomaat had getrokken. Hij lag toen al op een groot wit kussen en ademde moeilijk. Hij leek zo klein. Nu is zijn adem op, zegt mijn moeder.
Ik houd mijn adem in; mijn borstkas spant zich aan. Kan adem opraken, zoals een ballon die langzaam leegloopt?
Er wordt gehuild. Ik kijk ernaar maar voel alleen maar pijn in mijn buik, schaam me dat ik geen tranen heb.
Op de trap, onder de kapstok waar de jassen als een grote berg over elkaar heen hangen, ga ik zitten. Mijn gezicht half onder het stof van opa’s mantel; oma nam hem mee, samen met zijn stok die tegen de muur van de gang staat.
Ik knipper hard met mijn wimpers, doe dan mijn ogen zo stijf dicht dat ze vochtig worden.
Ze knijpen in mijn wang, de voorbijgangers die mijn ooms en tantes zijn. Ik ben boos en ik wil geen troost.

Opa was een bouwer. Hij tekende huizen en kerken met stevige torens die tegen een stootje konden. Ik haal mijn blokkendoos tevoorschijn en bouw torens tot ze zo hoog zijn dat ze omvallen. Ik stop blokken in mijn sokken, als hoge hakken. Zo ben ik groot, zoals de anderen; nu zal ik het vast begrijpen, de dood.
Mijn voeten doen pijn, maar ik balanceer de kamer binnen. Dan verzwik ik mijn enkel, de blokken steken in mijn vlees. Ik verbijt mijn tranen.
Ach, zegt oma: Ik geloof dat het nu pas tot haar door begint te dringen.



ds


Het bijbehorende gedicht staat bij Jansma & Soli

Raam

Toen de boodschapper het onheil bracht, bleef het stil heel lang stil, tot de dreun de tafel raakte en resoneerde in de ruiten; terwijl hij niet wist hoe te sterven, hoe te overleven in de val, beukte zijn vuist op morzelhout, met treurig blauwe polsen.

Di Storia, Raam, Soli















Hij zit in zijn stoel, kijkt naar buiten. De wereld in een kader. Hij ziet de bomen aan de overkant, de auto’s voor het stoplicht. Mensen met een hond, mensen met een doel, denkt hij. Hij kijkt en observeert de dagelijkse gang vanuit zijn raam.
Wanneer is hij opgehouden deel te nemen? Hij weet het niet meer en ook niet of het er toe doet.
Hij krijgt zijn koffie, zijn boterhammen en zijn warm eten. Hij hoeft er de deur niet voor uit. Zijn leven ligt buiten, in het zicht vanuit zijn stoel aan tafel.
Als het donker wordt, de lamp aan, houdt het leven halt. Dan denkt hij aan wat voorbij is, wat stilstaat en geen wielen heeft die verder rijden. Hij staat op, gaat slapen en daartussenin zit een raam.

Soms komen bezoekers. Ze belemmeren zijn zicht. Hij wordt gedwongen de andere kant op te kijken, naar binnen. Hij kijkt naar hen zonder echt te zien. Ze komen ook niet voor hem. Hij hoeft geen gesprek gaande te houden.
Zijn vocabulaire bestaat uit een paar woorden, haast onverstaanbaar, met tegenzin, uitgesproken omdat ze hem verstoren, afleiden van wat buiten ligt: ‘Ja. Nee. Ik wil niet.’ Meer heeft hij niet nodig.

Zij kijkt naar hem van achter het raam. Ze is opgehouden met te willen begrijpen. Ze begrijpt wel dat de klap hard aankwam. Maar die klap was voor haar even hard.
Hoe moeilijk ook, het leven gaat verder, moet verder gaan om niet gek te worden van het gemis. Ze spaart hem maar wie spaart haar?
Ze doet wat ze kan. Als ze weggaat, zorgt ze dat er koffie is, liggen zijn boterhammen in aluminiumfolie op de tafel. Ze is terug voor hij merkt dat ze weg is geweest.
Ze vraagt zich soms af hoe het met hem verder moet als ze eerder sterft dan hij. Maar het enige dat hij nodig heeft is een stoel en een raam, denkt ze bitter.
Het is wel eens in haar opgekomen lang weg te blijven of misschien helemaal niet meer terug te komen. Even. Maar haar terugkomst valt haar steeds moeilijker.
Ze praat tegen hem, bij wie ze was, wie haar aangesproken heeft in de gang. Ze weet niet of hij luistert aan het raam. Ze zwijgt over haar verdriet, vraagt zich af of ze nog van hem houdt.
Hij was nooit een prater maar zijn glimlach was altijd voor haar. Ze zoekt bij zijn mondhoeken die onbeweeglijk naar beneden hangen, zijn ogen die niet naar haar kijken.
Ze denkt aan de dag dat ze kwamen, boodschappers met stille ogen, onbeweeglijke mondhoeken. Wat ze niet zeiden greep haar naar de keel. Voordat ze spraken, had ze het al gehoord.
Hij sloeg met zijn vuisten op tafel alsof hij het hout wilde vermorzelen. De kracht van de onmacht.
In de kerk zat hij niet naast haar, stond hij niet naast haar toen ze afscheid nam. Hij zat aan tafel en keek naar buiten. Het raam sneed hen af, het glas weerspiegelde vlijmscherpe eenzaamheid.

Hij zit bewegingloos in zijn stoel. Ze heeft het eerst niet in de gaten. Maar zijn koffie staat onaangeroerd, zijn boterhammen drogen langzaam uit. Ze praat tegen hem, gewend aan de stilte.
Ze kijkt naar het brood, vraagt of het hem niet smaakt, voordat ze echt naar hem kijkt en ziet dat zelfs het raam geen aandacht meer behoeft.
Het is alsof haar borst wijder wordt, haar adem nergens meer tegenaan botst.

De begrafenis beleeft ze in verdriet, haar tranen stromen niet voor hem. Wie kan ze uitleggen dat de ruimte in haar vrij spel heeft?
Als ze thuis is, doet ze de gordijnen dicht om hem niet te hoeven zien, klinkt haar rouw als rinkelend glas.



DS