De vrienden

di-storia-vrienden-solidianne

Vanaf zijn prilste kindertijd had hij vrienden. Ze aten mee aan tafel, keken mee tv en gingen mee als hij naar boven ging om te slapen. De moeder had haar bedenkingen tegenover de vrienden. Ze speelden een te grote rol in zijn kleine leven. Hij deed alleen waar zij zin in hadden en at alleen wat zij lustten. Het werd een hardstemmig strijdtoneel als hij met zijn ouders op vakantie ging, omdat de vrienden dan thuis moesten blijven.
Geen plaats in de auto, zei de moeder. Geen extra bedden, zei de moeder ook. Maar hij gilde en dramde net zo lang tot ze toegaf en de vrienden mee mochten in een overvolle auto en ze zowat uit hun vakantiebedden werden geperst door de vrienden.

De vrienden gingen mee naar school. Dat wil zeggen, ze vergezelden hem tot aan de poort. De vrienden hadden namelijk geen zin in school. Hij ook niet, maar hij moest. Na school wachtten ze hem op en gingen gezamenlijk naar huis.
De moeder kreeg een hartgrondige hekel aan de vrienden, maar kreeg ze niet verjaagd, wat ze ook probeerde. Ze dreigde met de politie, maar hij zei dat hij dan ook weg zou gaan.
Dan heb je geen huis meer, probeerde ze. En hoe moet je dan eten, je hebt geen geld?
Hij antwoordde dat zijn vrienden wel voor hem zouden zorgen, zij zorgden nu toch ook voor hem?
De moeder begreep dat ze de vrienden had te accepteren.
Ze dekte de tafel voor zeven personen, maakte plaats op de bank en wenste de vrienden welterusten.
Ze zocht informatie op het internet en ging naar de huisarts. Die verzekerde haar dat dit geen unieke situatie was. De vrienden zouden vanzelf verdwijnen, verzet had geen zin. Alleen als de vrienden te nadrukkelijk aanwezig waren, als er bijvoorbeeld bezoek was, kon ze ze wegsturen. Maar dat deed de moeder niet, bang voor driftige buien. Er kwam geen bezoek.

De vader meende ook dat het zo’n vaart niet zou lopen; was ervan overtuigd dat de vrienden wel weg zouden gaan als ze groter werden. Vriendschappen verwaterden en meestal was het: uit het oog, uit het hart. En zo gebeurde het ook. Op een dag waren ze verdwenen.
Toen de moeder extra borden op tafel zette, werd hij boos:
Ze zijn er niet, dat zie je toch?
Misschien zijn ze nog boven, probeerde ze voorzichtig en slaakte een opgeluchte zucht toen de vrienden daadwerkelijk weg bleken te zijn.
De rust keerde weer. In het huis speelden andere vrienden en de moeder zette blij borden bij, die meestal niet nodig waren.

Maar dit verhaal kent een dramatische wending, want toen de moeder na schooltijd aan de poort stond om hem op te halen, kwam hij niet opdagen. De juffrouw van zijn klas keek haar bevreemd aan toen ze vroeg waar hij bleef?
We hebben hier geen kind van u, zei ze. Ze nam de moeder mee naar het schoolhoofd die haar een kop koffie gaf en haar ervan probeerde te doordringen dat er geen zoon ingeschreven stond.
De moeder, intussen behoorlijk overstuur, riep dat school krankjorum geworden was en ging in paniek naar huis, hopend dat hij inmiddels thuis zou zijn. En dat was ook zo. Hij hing met een zak chips op de bank en keek tv. Hij was gewoon naar school geweest, zei hij.

Maar er kwam nog een grotere schok: toen de moeder aan de vader vertelde wat er die dag was gebeurd, zei die dat hij geen zoon had.
De moeder had zich nog nooit zo machteloos gevoeld, behalve dan toen de vrienden haar huis bevolkten. Ze gilde dat hij op de bank zat. Kijk dan, dáár! Hij zít daar tóch, mét chips?
De vader probeerde haar te sussen en uiteindelijk gaf hij toe dat er een zoon was.
Het onderwerp zelf bemoeide zich nergens mee, hij keek tv.

Het hoeft geen betoog dat hij vanaf die dag niet meer naar school ging en dat de vader steeds meer zijn heil elders zocht, omdat hij niet om kon gaan met een zoon die hij niet zag en een vrouw die deed alsof ze dat niet zag.
Uiteindelijk trok hij de deur voorgoed achter zich dicht en zocht troost bij de onbestaande juffrouw van zijn onbestaande zoon en zij hem heel goed begreep.

De moeder overlaadde haar zoon met de allerbeste zorgen, was vader, moeder en zijn juf tegelijk. Hij liet het zich berustend aanleunen, maar hij was eenzaam vond de moeder. Misschien moesten de vrienden maar terugkomen, per slot van rekening hadden ze plaats genoeg. Maar de vrienden kwamen niet terug en hij ging de straat niet meer op. De moeder vond het genoeg geweest en zo kwam het dat ze haar jas aantrok en langs de deuren ging.

De buurtbewoners kenden haar als de vrouw die gek geworden was en hoewel ze als ongevaarlijk te boek stond, deden ze niet open. De enkeling die zich wel door haar komst had laten verrassen, stond haar niet te woord of maakte zich snel van haar af door te zeggen dat de vrienden in de verre steden studeerden.
Uiteindelijk vond de moeder de vrienden zelf, op een hangplek bij de bushalte op het kerkplein. Ze herkende ze bijna niet meer na zoveel jaren, maar zij herkenden haar wel en ze wisten zich hem ook nog goed te herinneren.

Hij leefde op met zijn vroegere vrienden en ook de moeder was blij met de weergekomen drukte in huis. Ze kookte gigantische maaltijden, want jongens in de groei hebben altijd honger. Maar ook hier neemt het verhaal opnieuw een wending: na klachten van de buurt over lawaaioverlast, trof de politie alleen een oude vrouw in een sterk vervuilde woning aan waarna maatschappelijk werk zich ermee ging bemoeien: de moeder kon niet meer voor zichzelf zorgen.
Maar de jongens zullen gaan opruimen, wanhoopte ze. Pubers hebben het helpen niet in hun systeem zitten en het was voor haar amper bijhouden met al die maaltijden en de afwas. Als ze het zou vragen?
Haar verweer mocht niet baten. De moeder verhuisde naar een liefdevolle instelling, zonder hem en zijn vrienden.
Het huis werd ontruimd.

Vanaf die dag betrokken de dakloze zoon en de vrienden de abri bij het kerkplein. Niet dat ze werden gezien, maar de gemeentereinigers hadden bovenmatig veel werk aan ze. Elke dag opnieuw vonden ze een tekst op een lantaarnpaal die schoon werd geboend, maar waar de volgende dag precies weer zo’n tekst op geschreven stond.
De abri werd na lang aandringen van de buurt verplaatst en vreemd genoeg, was daar geen overlast aan troep. Maar bij de plek aan de beschreven lantaarnpaal lagen keer op keer lege chipszakken, etensresten, blikken van bier en frisdrank en bergen sigarettenpeuken.
Er kwam een bewakingscamera, die niks registreerde.
Uiteindelijk bleef de plek schoon, misschien wel om een heel bizarre reden: de moeder was gestorven.

Ook in de onverklaarbaarheid bestaat gewenning en het werd een gegeven waar niemand meer van opkeek. En elk jaar op de sterfdag van de moeder verscheen er een nieuwe tekst op de lantaarnpaal…

Foto: Jo Hendriks

Foto: Jo Hendriks


























ds


Dit verhaal verscheen ook bij Bjorn is hier geweest met vrienden

Krimpen

Di Storia, Duif, Soli

Er kwamen mensen aan de deur, in hooggesloten regenjassen; die door mijn moeder vriendelijk werden verzocht te vertrekken, maar niet nadat ze met een glimlach zeiden dat de wereld zou vergaan en wij mee ten onder. Zij niet, want zij waren uitverkoren. Wij waren verloren, de ongelovigen.

Ik wist wat dat betekende, uitverkoren, ik had er vaak over gehoord in de communie-lessen; wij waren toch ook gelovig? En ik keek ongelovig naar de glimlach van mijn moeder toen ze de deur dichtdeed. Ik begreep niet dat ze dat niet erg vond.
We spraken er niet meer over. Mijn moeder was goed in zwijgen.
Ik geloofde niet dat God dat onderscheid zou maken, ik had nooit iets verkeerd gedaan. Ik was een kind dat nog niet zo lang leefde. Verstond God het geruzie met mijn zusje ook onder zonde?
Ik bad om antwoord. Maar God was net zo zwijgzaam als mijn moeder.
Ik durfde niet naar mijn bed, bang dat ik eruit zou rammelen en in grote zwarte gaten zou vallen, de hel op ons huis zou storten. Maar elke ochtend werd ik wakker van het licht dat door de rozengordijnen kwam en zag de wereld er nog net zo uit als gisteren.

Geen idee wat het was – ik was zeven, maar de muren werden al zwart en mijn slaapkamerdeur kraakte in de sponning. Boven mijn hoofd hoorde ik God die ons kwam verdoemen. Gruis viel naar beneden, nog achter de spouwmuur, instinctief dook ik weg. Het zou niet lang duren of ons huis zou het begeven!
Het waren vogels, zei mijn vader, of muizen, zei mijn moeder; dat moest het vallend gesteente verklaren. Mijn vader gaf mij een knipoog. Zie je wel, het was niet waar van de vogels!
Ze lieten mij alleen en ik luisterde naar het harde kloppen van mijn hart en naar het vallen van het gruis achter mijn muur. Ik stopte mijn hoofd onder het kussen, maar het harde bonken bleef.
Toen ik wakker werd van rammelend serviesgoed in de keuken en de mussen in de hulst ruzieden om het beste plekje, voelde ik me niet geruster. Vannacht was niks gebeurd, was ik daar blij om? Ik was er blij om, ja, maar het kon elke dag gebeuren, het vergaan van de wereld. Ik keek naar de zwarte plekken op het behang die nu gevlekt grijs waren. Achter mijn muur was het stil. Het hing boven mijn hoofd, wist ik. Maar hoe lang liet God de mensen nog wachten?

Beneden stond de Brinta te dampen in de borden.
Ik keek naar de warme, witte wolken en blies ze weg terwijl ik met een lepel hard in de pap roerde. Hoe zou het gebeuren? Zou God op een wolk komen en de uitverkorenen op de wolk zetten? Misschien zou hij zoveel water op de wereld laten storten dat iedereen zou verdrinken.
Ik dacht aan Jezus die over water kon lopen en aan Noach, die een schip had gebouwd. En ik vond God niet eerlijk. Wat moest je doen om uitverkoren te zijn?
Ik kwam er niet uit.

Het vergaan van de wereld liet op zich wachten. Ik wende aan het geluid van de brokjes steen die langs mijn muur vielen, ik hoorde rennen van kleine pootjes boven mijn hoofd. Mijn vader geloofde nog steeds dat het de vogels waren in de dakgoot, maar die liep niet over mijn kamer door, daar zat de zolder. Tot mijn vader, om van mijn gezeur af te zijn, de plankenvloer op zolder openbrak. Daaronder was het bezaaid met een soort hagelslag. Poep van muizen. Muizen die voor God hadden gespeeld en mijn vader ook voor God speelde door ze dood te maken.
Maar ik had schuld, ik had het verteld. Door mij waren de muizen dood en ik miste de vallende brokjes steen die mij eerst zo bang hadden gemaakt en die mij nu zouden geruststellen.

Dagen, maanden, gingen voorbij zonder dat God aanstalten had gemaakt. Het had hard geregend, maar meer dan de kelder en het plein achter het huis, stond niet onder water. Ik was acht en had mijn communie gedaan. Mijn geloof begon te wankelen. Ik geloofde niet in een Boze God die onderscheid zou maken, ik geloofde in een aardige God. De mensen gebruikten hem om zich er zelf beter van te voelen en om anderen angst aan te jagen. Die gedachte hielp me om mijn eigen angst even te vergeten.

Twee huizen verderop zat een jongen boven in zijn kamer op de vensterbank. Hij draaide droevige muziek op zijn platenspeler. Steeds dezelfde muziek. Hij leek erg verdrietig.
Ik zag hem vaak zitten als ik op ons pleintje speelde en hij maakte mij ook verdrietig. Ik wist niet waarom. Ik vertelde het aan mijn moeder. Ze zei dat de buurjongen van jongens hield. Dat kende ik. Mijn jongste oom, die maar een paar jaar ouder was dan ik, ook. Maar mijn oom was niet verdrietig. En het was vaak een gezellige boel bij mijn oma thuis als de vrienden van mijn oom op de thee kwamen.
Toen zei mijn moeder dat het kwam omdat zijn ouders het niet wilden en dat hij op zijn kamer moest blijven zitten tot het over was. Ik begreep er niks van. Zoiets ging toch niet over? Ik wist dat mijn oom ook wel eens een vriendinnetje had gehad en dat hij daar niet gelukkig van werd. Je moest gewoon doen waar je gelukkig van werd, zei hij altijd als hij me nog even kwam onderstoppen. Dat die jongen nu zo verdrietig was, moesten zijn ouders toch ook zien, wilden ze hem dan niet gelukkig?
Mijn moeder zei dat het heel gelovige mensen waren en dat het niet mocht van hun geloof. Maar wij waren toch van hetzelfde geloof? Ik zag die mensen altijd in de kerk. Mocht het dan ook niet van ons geloof? Mijn oma vond het toch ook goed?
Mijn moeder zei zacht, alsof ze het eigenlijk niet wilde vertellen, dat het van het stofzuigen kwam: mijn oma had hem altijd vrouwenwerk laten doen. Ik werd boos, daar kon toch niks mis mee zijn? Misschien had die jongen ook vaak moeten stofzuigen, dan was het toch de schuld van die ouders? Dan moesten ze hem nu niet gaan opsluiten! Mijn moeder was het met me eens en ging naar de winkel.

Op school hoorde ik van Karel de Grote die mensen liet vermoorden als ze zich niet lieten bekeren, ik hoorde van oorlogen door geloof.
Ik vond geloof stom en helemaal toen het baby’tje van mijn nichtje was gestorven. Dat mocht niet op gewijde grond begraven worden omdat het nog niet gedoopt was. Het moest nu op een plekje achter een muur. Alleen maar omdat het te vroeg was doodgegaan.
Als ik doodging, moest ik ook maar achter die muur. Ik wilde niet eens meer op gewijde grond. En God was ook stom!
Hij moest de mensen verbinden en niet uit elkaar drijven. En zijn dienaren, zoals de pastoor van ons dorp, deugden ook al niet. Hij zat altijd aan mijn haar en aan mijn jas te frunnikken en wilde dat ik bij hem binnenkwam, dat mijn moeder mij had verboden. Ik mocht bij niemand binnen. Hij zei dat ik niet gehoorzaam was en dat ik vast wel wat had te biechten, ik moest maar eens bij hem langskomen. Hij zou het mijn moeder niet vertellen.

Dat jaar wist ik dat God er geen zootje van maakte, maar de mensen. En dat hij het blijkbaar niet zo erg vond dat hij er de wereld om liet vergaan. Ik sliep er iets rustiger om.

ds

De schoenen

di-storia-de-schoenen-solidianne

Hij kneep zijn ogen iets samen om zijn zicht te verscherpen, kon niet direct thuisbrengen wat hij zag. Toen hij dichterbij kwam, zag hij schoenen, een paar bruinleren herenschoenen met losjes geknoopte veters. Ze stonden met de neuzen voor een hoge langgerekte muur.
Nu hij duidelijk had gezien wat zijn aandacht had getrokken, liep hij peinzend door. Het beeld van de schoenen liep met hem mee.

Hij vroeg zich af waarom de schoenen daar waren achtergelaten. Ze zagen niet uit alsof ze versleten waren. Het was of iemand er gewoon uit was gestapt, op kousenvoeten over de muur was geklommen, maar waarom zou iemand zonder schoenen over een muur willen klimmen?
Niet meer in je eigen schoenen willen staan, kwam in hem op. Alsof die gedachte hem in de andere schoenen dwong. Hij liep terug en legde de schoenen vast met de camera van zijn mobiele telefoon.

Afwezig stak hij zijn sleutel in het voordeurslot. Zijn schoenen zette hij in de gang onder de kapstok, een spoortje vuil smeltwater liep onder de zolen uit.
De schoenen bij de muur stonden er nog niet zo lang, bedacht hij. In de afgelopen nacht had het gesneeuwd, maar de schoenen waren vrijwel droog op een topje sneeuw na. Hij tuurde naar zijn eigen schoenen en het water rondom dat zijn sokken vochtig maakte. Hij nam een krant en zette zijn schoenen erbovenop. De neuzen naar de muur. Hij zette de rechterschoen ietsje schuin naar voor, zoals bij de schoen op straat, en liep naar de keuken. Ze lieten hem niet los toen hij zijn maaltijd at.

Nadat hij de foto van de schoenen naar zijn computer had gekopieerd, printte hij die op fotopapier. En nog een en nog een tot het een geheel werd van een chaotische schoenenberg.
Hij knipte de schoenen stuk voor stuk uit en legde ze naast elkaar op de grond. Alle schoenen. Ze deden hem denken aan passen die op dansvloeren kleefden. Hij zette zijn voeten op de knipsels. Zijn enkel zwikte om.
Niet meer in je eigen schoenen willen staan. Gewoon uit je schoenen stappen en een ander bestaan leiden achter de muur die het ene leven van het andere scheidt. Misschien in onwetendheid? Alsof met het uitdoen van de schoenen ook je geheugen werd gewist, misschien ook wel je hele lichaam, zodat je werkelijk iemand anders wordt als je niet meer in je eigen schoenen staat.
Die gedachte bracht hem in vervoering.
Hij schoof de schoenen door de kamer en stapte van de ene schoen op de andere. Hij kon er niet mee stoppen.

Ik zou niet in jouw schoenen willen staan, had iemand tegen hem gezegd. De bewijzen waren verzameld, uitgeplozen en breed uitgemeten, waarna hij aan de schandpaal werd genageld.
Hij had het vonnis met opgeheven hoofd aangehoord. Zijn schoenveters werden afgenomen. Daarna zat hij thuis, alleen. Voor zijn partner was het te groot geweest, een nieuwe liefde was hij niet meer tegengekomen.
Hij schoof de papieren schoenen op een hoop en legde ze in het aanrecht. Een lucifer was genoeg om alles te verkolen.

De sneeuw joeg hem in het gezicht toen hij zijn schoenen uitdeed, met de neuzen tegen de muur. Hij voelde houvast en klom.
Hij keek op zijn horloge. Hij moest zich haasten. Twee kaarten voor het theater in zijn jaszak. Vroeg eten vanavond. Dan had ze nog tijd om zich mooi te maken.



ds

Raam

Toen de boodschapper het onheil bracht, bleef het stil heel lang stil, tot de dreun de tafel raakte en resoneerde in de ruiten; terwijl hij niet wist hoe te sterven, hoe te overleven in de val, beukte zijn vuist op morzelhout, met treurig blauwe polsen.

Di Storia, Raam, Soli















Hij zit in zijn stoel, kijkt naar buiten. De wereld in een kader. Hij ziet de bomen aan de overkant, de auto’s voor het stoplicht. Mensen met een hond, mensen met een doel, denkt hij. Hij kijkt en observeert de dagelijkse gang vanuit zijn raam.
Wanneer is hij opgehouden deel te nemen? Hij weet het niet meer en ook niet of het er toe doet.
Hij krijgt zijn koffie, zijn boterhammen en zijn warm eten. Hij hoeft er de deur niet voor uit. Zijn leven ligt buiten, in het zicht vanuit zijn stoel aan tafel.
Als het donker wordt, de lamp aan, houdt het leven halt. Dan denkt hij aan wat voorbij is, wat stilstaat en geen wielen heeft die verder rijden. Hij staat op, gaat slapen en daartussenin zit een raam.

Soms komen bezoekers. Ze belemmeren zijn zicht. Hij wordt gedwongen de andere kant op te kijken, naar binnen. Hij kijkt naar hen zonder echt te zien. Ze komen ook niet voor hem. Hij hoeft geen gesprek gaande te houden.
Zijn vocabulaire bestaat uit een paar woorden, haast onverstaanbaar, met tegenzin, uitgesproken omdat ze hem verstoren, afleiden van wat buiten ligt: ‘Ja. Nee. Ik wil niet.’ Meer heeft hij niet nodig.

Zij kijkt naar hem van achter het raam. Ze is opgehouden met te willen begrijpen. Ze begrijpt wel dat de klap hard aankwam. Maar die klap was voor haar even hard.
Hoe moeilijk ook, het leven gaat verder, moet verder gaan om niet gek te worden van het gemis. Ze spaart hem maar wie spaart haar?
Ze doet wat ze kan. Als ze weggaat, zorgt ze dat er koffie is, liggen zijn boterhammen in aluminiumfolie op de tafel. Ze is terug voor hij merkt dat ze weg is geweest.
Ze vraagt zich soms af hoe het met hem verder moet als ze eerder sterft dan hij. Maar het enige dat hij nodig heeft is een stoel en een raam, denkt ze bitter.
Het is wel eens in haar opgekomen lang weg te blijven of misschien helemaal niet meer terug te komen. Even. Maar haar terugkomst valt haar steeds moeilijker.
Ze praat tegen hem, bij wie ze was, wie haar aangesproken heeft in de gang. Ze weet niet of hij luistert aan het raam. Ze zwijgt over haar verdriet, vraagt zich af of ze nog van hem houdt.
Hij was nooit een prater maar zijn glimlach was altijd voor haar. Ze zoekt bij zijn mondhoeken die onbeweeglijk naar beneden hangen, zijn ogen die niet naar haar kijken.
Ze denkt aan de dag dat ze kwamen, boodschappers met stille ogen, onbeweeglijke mondhoeken. Wat ze niet zeiden greep haar naar de keel. Voordat ze spraken, had ze het al gehoord.
Hij sloeg met zijn vuisten op tafel alsof hij het hout wilde vermorzelen. De kracht van de onmacht.
In de kerk zat hij niet naast haar, stond hij niet naast haar toen ze afscheid nam. Hij zat aan tafel en keek naar buiten. Het raam sneed hen af, het glas weerspiegelde vlijmscherpe eenzaamheid.

Hij zit bewegingloos in zijn stoel. Ze heeft het eerst niet in de gaten. Maar zijn koffie staat onaangeroerd, zijn boterhammen drogen langzaam uit. Ze praat tegen hem, gewend aan de stilte.
Ze kijkt naar het brood, vraagt of het hem niet smaakt, voordat ze echt naar hem kijkt en ziet dat zelfs het raam geen aandacht meer behoeft.
Het is alsof haar borst wijder wordt, haar adem nergens meer tegenaan botst.

De begrafenis beleeft ze in verdriet, haar tranen stromen niet voor hem. Wie kan ze uitleggen dat de ruimte in haar vrij spel heeft?
Als ze thuis is, doet ze de gordijnen dicht om hem niet te hoeven zien, klinkt haar rouw als rinkelend glas.



DS