Denken aan de zee

De afwasmachine draait. Ik luister naar de eerste toeren van de sproeier. Met een beetje fantasie spoelen golven aan op het strand. Ik hoor nu de vallende druppels op metaal. Maar ik denk aan de zee, en dat ik een hele tijd niet meer aan de kust ben geweest. En aan de eerste vakantie in De Panne, ik was net vier. De wereld was teruggebracht naar zand en zee en lag aan mijn voeten. Emmers vol. Later kwam Den Helder waar ik heel wat van mijn jeugd heb doorgebracht, op de pier met gezouten harde haarvlechten die pijnlijk mijn gezicht striemden. – De mooiste schelpen mee naar huis, samen met de mooiste stinkende krabbetjes in de warme achterbak van de auto – En heel veel later was ik met mijn bouwende en verzamelende kinderen in De Haan of Oostende. Maar eerder met mijn beste vrienden H. en G.  Uitwaaien. Herinneringen golven over me heen in een windstille duinpan.
Getik op de ruit. Mijn veertienjarige zoon onderbreekt mijn mijmering met twee onverwachte uren vrij. Hij is uitgelaten en lekker fris van het fietsen door een vroege koele ochtend. De zee is weggespoeld voor thee en mijn zoon rolt zich op in de bank, met zijn laptop. Zijn schoenen slingeren als altijd door de kamer, zonder zand zoals vroeger.
Ik schrijf in Word: Denken aan de zee. Dat eerst en dan gaan.

Di Storia Schelp Soli
 
  Onbekommerd

  Mijn kinderhanden spraken Frans
  daar aan het vreemde strand
  dat nog geen paar uur rijden was
  – maar wel heel ver want wagenziek –

  en aan zee golfde ik samen
  met een bal, kon ik mij verstaan als een vis;
  zo dreef ik op gejutte klank, zon
  nog in het oor van de coquille.

  Uit: Wat blijven zal, maakt ademloos
 

Pleisterplaats

  Het zijn haar handen, eilanden. 
  Pleisterplaatsen, waarop ik op een vinger 
  slenter. Ontdek, natrek. Zwerf 
  over donkeroude plekjes, 
  een doolhof van ragfijne lijnen, 
  de kalme rivieren die even geheimzinnig 
  verdwijnen bij het rugwaarts glijden. 

  Ik reis een leven lang 
  in de herinnering van haar huid 
  wissen haar sporen langzaam uit; 
  kruipt bloed waar het niet gaan kan 
  om op mijn handen 
  te verschijnen, samen 
  met een slenterkind. 

  ds© 

Di storia, Pleisterplaats, Soli 2014

 
 
 
 

Verdwaasd geluk

Di Storia, Tijd, Soli

In de stad waar ik een vreemde ben,
sjouw ik het bekende –  niet het vertrouwde  –
zie ik de man in de bus,
vervreemd van wie hij vroeger was.

Hij sleept zijn leven in een tas,
kijkt naar zijn stad  –  de straten
die de bus aandoet  –
en vraagt blijmoedig waar ik woon.

Er is verdwaasd geluk voor nodig
denk ik; een zekere weemoed
om een hoek die niet wil komen
en wat er wordt vergeten,

maakt dat geen dag meer langer wordt,
het slepen maar zo kort. Och, de tijd:
hij maakt ons onverhoopt verloren
en in de grond gelijk.


ds


Levenskunst

Di Storia Wiel Soli

Zijn dag verpakt in plastic zakken;
op zijn schoot ligt schroefdopwijn
en een halve leverworst. Het is koud
in de kraag van mijn jas.

Hij zingt de kilte stuk, beweegt zich
in een rijdende stoel: met een been,
het andere blokkeert. In een struikelende twist
is hij de bewonderenswaardige optimist.

Loop door, sist mijn oma in mijn oor:
Als je kijkt, willen ze geld of jatten
je horloge
, en ik voel mijn verzet
terwijl ik haar terug het graf induw.

Hij steekt zijn borst vooruit, galmt
de stenen uit de muren.
Mijn wrevel heeft hij al gerold,
verkoopt hem waar ik vrolijk bijsta.


ds


De jongen, de vogel en de wind

onder graf van blad / het tere vogelskelet / de najaarswind fluit /

di-storia-vogelkopje-solidianne

1.
Hij zit op zijn hurken in koude regen, bestudeert de donkere vlek tussen gevallen boomblad.
De veertjes liggen, donzig nat, vrij van het skelet. Hij bekijkt het spitse kopje, het fijne filigraan van botjes. Het kopje zit los. Hij neemt het tussen duim en wijsvinger en stopt het in zijn borstzak.
Later, als hij weer naar huis gaat, zal hij het kopje tussen zijn schatten leggen: de pijp van opa, een leren koord met bronzen munt en een gedroogde kikker tussen stenen.
Behoedzaam schuift hij met een karton, als een baar, onder de bladeren en legt het lijkje onder de perenboom.
Een eind verderop liggen de vleugels, meegenomen door de wind. De wind is fel en duwt de vleugels op alsof hij ze wil laten vliegen, elk een andere kant op. Hij stelt zich voor hoe ze nog aan het vogellijf vastzitten en hoe de wind de vogel zal aanklampen om hem tot leven te wekken.
Het regent sneeuw, het blad is week en zwaar. Hij moet het bij elkaar vegen en op de composthoop gooien, heeft zijn oma tegen hem gezegd. Hij verdient er vijftig centen mee. Die moet hij sparen, maar hij proeft de snoep al in zijn wangzak.
Hij hoort oma roepen, de soep is klaar. Gepeperde erwtensoep die hij zal eten om de worst die ze erin doet, veel schijven worst. Hij bewaart de worst altijd tot het laatst met wat druppels maggi.
Hij likt de schijfjes voorzichtig schoon van soep en wortel, zijn mond brandt van de peper, en legt ze als een krans op de rand van zijn bord. Hij staat op en reikt voorover naar het bruine flesje op tafel. Oma geeft een gil en haalt naar hem uit. Zijn wang en oor gloeien als zijn mond. Een vogelkopje drijft in het stilleven op zijn bord.

2.
De maan verlicht zijn kamer. Hij kijkt naar de bewegende schaduwen uit de tuin. Het mandje op de kast lijkt op een gedrongen man die stuurs naar hem kijkt. Hij kruipt uit zijn bed en zet het mandje op de grond. Zijn oma heeft hem naar boven gestuurd na het voorval met het vogelkopje.
Morgen zal hij ernaar zoeken in de vuilnisbak.
Hij hoort oma beneden bezig in de keuken. Hij luistert naar de geluiden van serviesgoed, het aanschuiven van stoelen. Ze zal niet meer naar boven komen. Dat doet ze nooit. De warmte moet beneden blijven, waar de houtkachel brandt.
Hij heeft het koud, het blaaskacheltje op zijn kamer mag nooit lang aanblijven.
Vage contouren van ijsbloemen tekenen zich af op het raam. Hij ademt een klein rond uitzicht.
Tussen de bladeren liggen bevroren vogelvleugels.
Zijn maag knort. Hij verlangt naar de worst uit zijn soep. Als hij die niet tot het laatst had bewaard, had oma die niet kunnen weggooien, samen met het vogelschedeltje. Was zijn zus maar hier. Ze zou er hard om moeten lachen en oma op andere gedachten hebben gebracht. In zijn hoofd hoort hij haar schateren. Hij grinnikt mee.
Hij ruikt de scherpe rooklucht van brandend hout, het prikkelt zijn neus. Hij snuift uit, condenswolkjes. Die doen hem denken aan de sigarenstomp die hij vond, achter de tuin van de buurman. De sigaar brandde nog. Hij had hem opgeraapt en de vuurkegel er voorzichtig uitgeknepen.

De lucifer vlamt hoog op en hij zuigt met holle wangen de rook in zijn keel. Hij hoest niet, maar hij voelt hoe zijn keel zich samenkrimpend verzet. De rook maakt hem licht in zijn hoofd, misselijkheid komt omhoog. Hij probeert te slapen. Zijn bed draait naar rechts en stijgt. Het krijgt vleugels en een vogelkopje.

3.
Op tafel staat hete melk, met een vel waar hij van gruwt, maar op zijn bord liggen twee grove sneden brood met de worst die hij uit zijn soep had gelegd. Blij schept hij het vel uit de melk en stilt zijn rammelende maag. Zijn kleren hangen boven de kachel zodat ze lekker warm zijn als hij ze aantrekt. Oma zegt niets over het vogelkopje; ze lijkt de sigarenlucht niet te ruiken. Hij heeft de sigarenstomp in papier gedraaid en onder zijn bed verborgen.
Hij moet de rest van de tuin nog bladvrij maken, er ligt een rijplaag overheen. Het blad is zo stijf bevroren dat hij er gemakkelijk met de schop onderin kan. Hij verbaast zich hoe zwaar het geworden is. Een waterige zon wringt zich door de kou.
Het vogelkopje en de vogelvleugels liggen opzij in een hoekje van de schuur. Er zitten kleine kristalletjes op de vleugels. Te zwaar om te vliegen, denkt hij.
Aan de muur hangen opa’s overall en laarzen. De tuin was zeker winterklaar als hij nog had geleefd. Oma is er te moe voor. Hij mist opa, zijn spannende verhalen.
Hij zou met hem op avontuur zijn gegaan naar de mergelgrotten. Opa wist daar feilloos de weg. Met een zakmes sneed hij kleine fossielen uit de mergel. Hij liet hem de zee-egeltjes zien, ingekapseld in de wand van de grotten. Soms mocht hij ook handenvol modder scheppen, in een blik, die ze thuis uitzeefden. Er bleken minuscule schelpen in te schuilen. Opa zou het vogelkopje ook bewaard hebben.
Hij pakt een bamboestok en touw en bevestigt het vogelkopje krampachtig op de stok. Van papier zal hij vleugels maken, als de tuin klaar is, als hij weer gevoel in zijn vingers heeft. Het vogelkopje steekt scherp wit af tegen het blauw van zijn handen.

4.
Hij zit op de houten stoof bij de kachel met een Donald Duck die oma voor hem heeft klaargelegd. Thuis had hij een hele stapel, maar die heeft zijn moeder in de asla gelegd toen hij ruzie maakte met zijn zus. Hij probeerde ze nog te redden, maar de meeste waren al zwartgeblakerd. Hij verbrandde zijn vingers.
Hij vond het een zware straf. Zijn moeder zei dat hij een lastpost was, hij moest maar leren.
’s Avonds beklaagde ze zich bij zijn vader en kreeg hij slaag met de platte hand. Toen hij riep dat hij zijn moeder maar een oneerlijk rotwijf vond, hij had zijn straf al gehad, moedigde ze zijn vader aan om harder te slaan. De striemen waren twee dagen zichtbaar geweest. Zijn zus had er vaseline op gesmeerd, zijn moeder had er niet naar gekeken. Twee dagen later stuurde ze hem op vakantie naar oma.
Oma kijkt even op van haar borduurraam en schuift hem een roze schuimpje toe.
Sinds opa dood is, zegt ze alleen nog het hoognodige, wat hij op zijn brood wil of als er een karweitje voor hem ligt.
Hij is warm van de kachel. Het harde tikken van de klok maakt hem slaperig.
Hij staat op en gaat op zijn knieën bij oma op de grond zitten. Ze aait door zijn haren en hij legt zijn hoofd in haar schoot. Dan ziet hij het vogelkopje op de kast liggen met de stok. Daarnaast staat een schoteltje met kippenveren, lijm en papier. Hij kijkt verrast naar oma. ‘Ik mis opa ook,’ zegt ze.
Ze geeft hem een duwtje en haar schaar.

Vanuit zijn bed kijkt hij naar de vogel die vrolijk op en neer fladdert in de beweging van de hete lucht die uit het kacheltje blaast.

Spiegel van ogen



   Op de draagwijdte van wind
   jagen ze aan, rond
   de marmeren zerken
   waar – o ironie – de rouwvlieg
   danst in zijn zwartgazen hemd.
   Zo stil

   op deze plek waar
   achter oude muren goden
   met de doden bewegen.
   Het golfde over water
   ruiste in de bomen, fleerde
   in een laaghangend namiddaguur.

   Ik adem, luister hoe ik niet adem
   om het doodstil kijken
   naar het gebroken licht – het zwerft –
   een kiem van herinnering
   die zich wortelt in een ovaal portret,

   een spiegel van ogen.


   ds

Di Storia, Bibio marci, rouwvlieg, Soli