Het ei van Louis

Di Storia, Het ei van Louis, Soli 2014Elke zondag, om exact twaalf uur, deden wij aan gewoonte of traditie, als je het zo noemen wilt. Dan werden wij verwacht bij Louis.
Ik ben naar hem vernoemd: Louisa.
Louis woonde in een piepkleine flat op de eerste verdieping. Het rook er naar sigaretten, verschraald bier en lang getrokken soep, soms naar gestoofd konijn met azijn en uien. En een enkele keer naar verbrand gestoofd konijn met azijn en uien.
De voorkamer, achter de schuifdeuren, was eentonig ingericht met een mosgroen bankstel, twee dito stoelen, een dressoir en een formica tafel. Er hing geen sfeer, geen gezelligheid en hoewel we er iets van probeerden te maken, ik zie ik zie wat jij niet ziet, waren we daar snel uitgekeken. Het bleef een kille ruimte zonder ziel.

In de achterkamer was het pret. Daar stond het blauw van de rook, werd bier, zoete witte wijn en kleurstofgele frisdrank geschonken en op het transparante plastic tafelkleed lag een plankje met worst en kaas. Dat was de avond van tevoren klaargemaakt en had onder aluminiumfolie in de ijskast gestaan.
Bij binnenkomst, via het halletje naar de achterkamer, moesten wij onder de schreeuwarend door, vastgetimmerd op een houten plankje. Louis had de vogel na de oorlog uit Duitsland meegenomen. De arend had een wijd opengesperde kleine snavel, gespreide, immense vleugels en spiedende, gemene kraalogen. Als je goed luisterde, kon je hem nog horen schreeuwen:
Kyek, kyek, kyek
Het was voor mij een hoge drempel om over te gaan. Maar ook Louis spiedde naar ons, op de drempel onder de roofvogel. De vrouwelijke familieleden werden, zonder uitzondering, stevig tegen hem aangetrokken en daarbij vol op de mond gezoend. Niemand zei er wat van of duwde zich langs Louis over de drempel heen. Het leek wel een traditie van ontelbare lange seconden waar geen ontkomen aan was. Ik hield mijn lippen stijf op elkaar en boog mijn lichaam naar achter om zijn aanraking het minst te voelen.

Elke zondag was de eettafel met het plastic vergeelde tafelkleed het kleine middelpunt van de familie. Volle bak. Louis zat aan het midden van de tafel, zijn vaste plek, bij de ketel soep of het zure konijn.
Oom Ben was er ook altijd. Oom Ben kwam soms op zijn paard dat hij met de teugels aan de reling van het balkon vastmaakte. Het mocht niet, maar wij konden, staand op een bierkrat, via het balkon op de rug van het dier klimmen en verzonnen lange tochten.

Op een zaterdag lag een ei op de grond, onder de schreeuwarend. Louis had het opgeraapt en op het plastic tafelkleed gelegd.
Hij had ons op zondag, om twaalf uur precies, binnengelaten. Tegen zijn gewoonte in, had hij ons niet opgewacht en ongewenst omkneld bij de doorgang naar de woonkamer, maar was weer aan tafel gaan zitten. Dat was vreemd, maar de opluchting overheerste zo dat we er niet lang bij stilstonden.
Wij zagen het gebarsten ei onmiddellijk liggen, wit, getekend met roodbruine en grijze vlekken. Eigeel lag gestold op het plastic.
Er was geen soep, geen konijn in azijn en uien, geen kaas en geen worst. Alleen een ei dat ons vlekkerig aankeek op het middelpunt van de tafel. Wij namen het als vanzelfsprekend aan, roofvogels leggen eieren en dat het hier een opgezette roofvogel betrof, hadden we toch al niet geloofd: het beest was levensecht.
Onze ouders keken bezorgd en spraken met elkaar af. Niet bij Louis.
Louis zelf was ervan overtuigd dat zijn einde nabij was. Het eerste ei was een aankondiging van zijn naderende dood. De vogel moest weg.

De daaropvolgende zondag staarde een grijze lege plek ons aan. In het plafond zat een gat. Dat was op zijn minst vreemd, omdat er nog twee verdiepingen boven Louis’ flat waren. Er lagen nu drie gebroken eieren op tafel. Twee waren er uit het gat van het plafond komen vallen, zei Louis. Maar het huis rook naar soep en het plankje met worst en kaas stond klaar op tafel. Louis leek springlevend, al was hij wat stiller sinds het eerste ei en had hij zijn zoenende knelbegroeting ook ditmaal achterwege gelaten.
Onze ouders negeerden de eieren en het gat in het plafond. Het werd bijna een zondag als vanouds.
Na die tweede zondag werden de muren gewit, het plafond dichtgeplamuurd en de inmiddels rottende eieren weggegooid. Onze ouders spraken nergens meer over, ook niet buiten Louis om. Ze leken opgelucht. Oom Ben had de teugels losgemaakt van de balkonreling en we mochten om de beurt op de rug van het paard voor een ritje door de wijk.

De derde zondag bleef de deur gesloten, werden wij naar huis gestuurd en lag Louis in bed. Hij zag eruit alsof hij sliep, zei mijn moeder later. Op het fornuis stond een pan soep, in de ijskast de gesneden kaas en worst, afgedekt met aluminiumfolie.
De uitvaart was druk met alleen al honderdvijftig familieleden en een buitengewoon grote kennissenkring. Toen Louis’ kist in het graf zakte, moest ik huilen.

Leven gaat door voor de levenden, familie valt uit elkaar zonder de vaste bijeenkomsten.
Ik werd volwassen, trouwde, kreeg kinderen, scheidde, en Louis was nog maar af en toe in mijn gedachten. Vooral als ik soep rook of konijn met uien in azijn.
Toen ik eens, bij mijn ouders op bezoek, het voorval met de eieren aanhaalde, en zei dat Louis toch gelijk had gekregen door dood te gaan, keken zij alsof ze water zagen branden. Ik had dat gedroomd, zei mijn moeder stellig.
Misschien is mijn kinderfantasie wel op de loop gegaan met die akelige vogel boven de woonkamerdeur. Toch is het vreemd dat, toen ik met mijn lief foto’s ging maken op de oude begraafplaats, en waar ik het graf van Louis nog steeds niet heb teruggevonden, ik uit de bomen een geluid hoorde dat me sterk aan vroeger deed denken: kyek, kyek, kyek…   Mijn lief hoorde niks.

Soli 03-‘14

 
 

De jongen, de vogel en de wind

onder graf van blad / het tere vogelskelet / de najaarswind fluit /

di-storia-vogelkopje-solidianne

1.
Hij zit op zijn hurken in koude regen, bestudeert de donkere vlek tussen gevallen boomblad.
De veertjes liggen, donzig nat, vrij van het skelet. Hij bekijkt het spitse kopje, het fijne filigraan van botjes. Het kopje zit los. Hij neemt het tussen duim en wijsvinger en stopt het in zijn borstzak.
Later, als hij weer naar huis gaat, zal hij het kopje tussen zijn schatten leggen: de pijp van opa, een leren koord met bronzen munt en een gedroogde kikker tussen stenen.
Behoedzaam schuift hij met een karton, als een baar, onder de bladeren en legt het lijkje onder de perenboom.
Een eind verderop liggen de vleugels, meegenomen door de wind. De wind is fel en duwt de vleugels op alsof hij ze wil laten vliegen, elk een andere kant op. Hij stelt zich voor hoe ze nog aan het vogellijf vastzitten en hoe de wind de vogel zal aanklampen om hem tot leven te wekken.
Het regent sneeuw, het blad is week en zwaar. Hij moet het bij elkaar vegen en op de composthoop gooien, heeft zijn oma tegen hem gezegd. Hij verdient er vijftig centen mee. Die moet hij sparen, maar hij proeft de snoep al in zijn wangzak.
Hij hoort oma roepen, de soep is klaar. Gepeperde erwtensoep die hij zal eten om de worst die ze erin doet, veel schijven worst. Hij bewaart de worst altijd tot het laatst met wat druppels maggi.
Hij likt de schijfjes voorzichtig schoon van soep en wortel, zijn mond brandt van de peper, en legt ze als een krans op de rand van zijn bord. Hij staat op en reikt voorover naar het bruine flesje op tafel. Oma geeft een gil en haalt naar hem uit. Zijn wang en oor gloeien als zijn mond. Een vogelkopje drijft in het stilleven op zijn bord.

2.
De maan verlicht zijn kamer. Hij kijkt naar de bewegende schaduwen uit de tuin. Het mandje op de kast lijkt op een gedrongen man die stuurs naar hem kijkt. Hij kruipt uit zijn bed en zet het mandje op de grond. Zijn oma heeft hem naar boven gestuurd na het voorval met het vogelkopje.
Morgen zal hij ernaar zoeken in de vuilnisbak.
Hij hoort oma beneden bezig in de keuken. Hij luistert naar de geluiden van serviesgoed, het aanschuiven van stoelen. Ze zal niet meer naar boven komen. Dat doet ze nooit. De warmte moet beneden blijven, waar de houtkachel brandt.
Hij heeft het koud, het blaaskacheltje op zijn kamer mag nooit lang aanblijven.
Vage contouren van ijsbloemen tekenen zich af op het raam. Hij ademt een klein rond uitzicht.
Tussen de bladeren liggen bevroren vogelvleugels.
Zijn maag knort. Hij verlangt naar de worst uit zijn soep. Als hij die niet tot het laatst had bewaard, had oma die niet kunnen weggooien, samen met het vogelschedeltje. Was zijn zus maar hier. Ze zou er hard om moeten lachen en oma op andere gedachten hebben gebracht. In zijn hoofd hoort hij haar schateren. Hij grinnikt mee.
Hij ruikt de scherpe rooklucht van brandend hout, het prikkelt zijn neus. Hij snuift uit, condenswolkjes. Die doen hem denken aan de sigarenstomp die hij vond, achter de tuin van de buurman. De sigaar brandde nog. Hij had hem opgeraapt en de vuurkegel er voorzichtig uitgeknepen.

De lucifer vlamt hoog op en hij zuigt met holle wangen de rook in zijn keel. Hij hoest niet, maar hij voelt hoe zijn keel zich samenkrimpend verzet. De rook maakt hem licht in zijn hoofd, misselijkheid komt omhoog. Hij probeert te slapen. Zijn bed draait naar rechts en stijgt. Het krijgt vleugels en een vogelkopje.

3.
Op tafel staat hete melk, met een vel waar hij van gruwt, maar op zijn bord liggen twee grove sneden brood met de worst die hij uit zijn soep had gelegd. Blij schept hij het vel uit de melk en stilt zijn rammelende maag. Zijn kleren hangen boven de kachel zodat ze lekker warm zijn als hij ze aantrekt. Oma zegt niets over het vogelkopje; ze lijkt de sigarenlucht niet te ruiken. Hij heeft de sigarenstomp in papier gedraaid en onder zijn bed verborgen.
Hij moet de rest van de tuin nog bladvrij maken, er ligt een rijplaag overheen. Het blad is zo stijf bevroren dat hij er gemakkelijk met de schop onderin kan. Hij verbaast zich hoe zwaar het geworden is. Een waterige zon wringt zich door de kou.
Het vogelkopje en de vogelvleugels liggen opzij in een hoekje van de schuur. Er zitten kleine kristalletjes op de vleugels. Te zwaar om te vliegen, denkt hij.
Aan de muur hangen opa’s overall en laarzen. De tuin was zeker winterklaar als hij nog had geleefd. Oma is er te moe voor. Hij mist opa, zijn spannende verhalen.
Hij zou met hem op avontuur zijn gegaan naar de mergelgrotten. Opa wist daar feilloos de weg. Met een zakmes sneed hij kleine fossielen uit de mergel. Hij liet hem de zee-egeltjes zien, ingekapseld in de wand van de grotten. Soms mocht hij ook handenvol modder scheppen, in een blik, die ze thuis uitzeefden. Er bleken minuscule schelpen in te schuilen. Opa zou het vogelkopje ook bewaard hebben.
Hij pakt een bamboestok en touw en bevestigt het vogelkopje krampachtig op de stok. Van papier zal hij vleugels maken, als de tuin klaar is, als hij weer gevoel in zijn vingers heeft. Het vogelkopje steekt scherp wit af tegen het blauw van zijn handen.

4.
Hij zit op de houten stoof bij de kachel met een Donald Duck die oma voor hem heeft klaargelegd. Thuis had hij een hele stapel, maar die heeft zijn moeder in de asla gelegd toen hij ruzie maakte met zijn zus. Hij probeerde ze nog te redden, maar de meeste waren al zwartgeblakerd. Hij verbrandde zijn vingers.
Hij vond het een zware straf. Zijn moeder zei dat hij een lastpost was, hij moest maar leren.
’s Avonds beklaagde ze zich bij zijn vader en kreeg hij slaag met de platte hand. Toen hij riep dat hij zijn moeder maar een oneerlijk rotwijf vond, hij had zijn straf al gehad, moedigde ze zijn vader aan om harder te slaan. De striemen waren twee dagen zichtbaar geweest. Zijn zus had er vaseline op gesmeerd, zijn moeder had er niet naar gekeken. Twee dagen later stuurde ze hem op vakantie naar oma.
Oma kijkt even op van haar borduurraam en schuift hem een roze schuimpje toe.
Sinds opa dood is, zegt ze alleen nog het hoognodige, wat hij op zijn brood wil of als er een karweitje voor hem ligt.
Hij is warm van de kachel. Het harde tikken van de klok maakt hem slaperig.
Hij staat op en gaat op zijn knieën bij oma op de grond zitten. Ze aait door zijn haren en hij legt zijn hoofd in haar schoot. Dan ziet hij het vogelkopje op de kast liggen met de stok. Daarnaast staat een schoteltje met kippenveren, lijm en papier. Hij kijkt verrast naar oma. ‘Ik mis opa ook,’ zegt ze.
Ze geeft hem een duwtje en haar schaar.

Vanuit zijn bed kijkt hij naar de vogel die vrolijk op en neer fladdert in de beweging van de hete lucht die uit het kacheltje blaast.

Spiegel van ogen



   Op de draagwijdte van wind
   jagen ze aan, rond
   de marmeren zerken
   waar – o ironie – de rouwvlieg
   danst in zijn zwartgazen hemd.
   Zo stil

   op deze plek waar
   achter oude muren goden
   met de doden bewegen.
   Het golfde over water
   ruiste in de bomen, fleerde
   in een laaghangend namiddaguur.

   Ik adem, luister hoe ik niet adem
   om het doodstil kijken
   naar het gebroken licht – het zwerft –
   een kiem van herinnering
   die zich wortelt in een ovaal portret,

   een spiegel van ogen.


   ds

Di Storia, Bibio marci, rouwvlieg, Soli





















Oud, Nieuw en schuurpapier

Di Storia, Onder de tafel, Soli

Steevast vierde mijn familie Oud en Nieuw met een Italiaans diner en veel vino en Grappa. Het nieuwe jaar was net begonnen. Het was mijn elfde verjaardag, maar daar stond, zoals elke keer, niemand bij stil.
Ik zat onder de tafel met Angelo, mijn neefje van vijf. Hij sliep op een kussen. Ik had mijn vest over hem heen gelegd. Hoe hij door al dat lawaai heen kon slapen, was mij een raadsel. Buiten knalde het vuurwerk, maar bij ons ging niemand de deur uit.
Ik zat graag onder de tafel, vooral bij een familiebijeenkomst als deze. Zo kon ik alles goed zien en viel niemand mij lastig met hun kleffe liefkozingen. Tante Maria zoende nat. Ik griezelde van de haren op haar kin. Tante Lola kneep me te hard in mijn wangen en tuitte overdreven haar mond voor een harde smakzoen op mijn oor. En oom Rico kuste vol op mijn mond: Kom, kom, riep hij dan, terwijl hij over mijn billen wreef en me hard tegen zich aandrukte: we zijn toch familie!
Bij de gedachte alleen al krijg ik nog kippenvel.

Oom Guido was op een stoel gaan staan. De zit boog door en het hout kraakte vervaarlijk. Iemand, ik denk oom Rico, riep: Discorsi, speeche. Hij tikte met een lepeltje op een glas. Jaar in, jaar uit verhaalde oom Guido over hun jeugdjaren in Albareto. Het was voorspelbaar saai.

Ik kroop wat verder naar de hoek. Daar had ik beter zicht op oom Rico en tante Tina. Oom Rico had zijn hand op tante Tina’s achterwerk gelegd en kneep erin alsof hij deeg kneedde. Zijn gezicht was rood aangelopen. Tante Tina deed net alsof ze niets merkte. Ze keek met een uitgestreken gezicht naar oom Guido die maar bleef zeuren over alles dat altijd en eeuwig voorbijging.
Ik draaide me om en zag oom Giovanni, de man van tante Tina, de ene na de andere Galliano achteroverslaan; zijn blik strak op oom Rico gericht. Ha, dat werd vechten straks. Dat gebeurde altijd.
Oom Giovanni kneep zijn knokkels wit en nam nog een glas. Ik zat gespannen op mijn knieën.
Tante Tina deed nog steeds alsof ze niets van het billenkneden merkte. Oom Rico had bij die handeling zijn ogen dichtgedaan, straaltjes zweet liepen van zijn voorhoofd.

De hond werd de overdaad aan vuurwerk teveel. Hij kroop jankend bij ons onder de tafel. Ik duwde hem neer want kon niets meer zien. Oom Giovanni kwam al naar voren. Ik zoog mijn adem in. Oom Rico kreunde, draaide met zijn ogen en viel achterover. Ik begreep er niks van: oom Giovanni had hem nog niet eens aangeraakt.
Tante Tina gilde, ik nog harder, want onder de tafel had ik recht zicht op oom Rico; ik zat zo’n twintig centimeter van hem vandaan! Zijn ogen staarden omhoog. Zijn gezicht was paarsrood en uit zijn mond liep een straaltje zever met naast zijn hoofd een sliert bloed.
Mijn hart klopte in mijn keel. Ik griezelde, maar toch moest ik blijven kijken!
Tante Maria riep om een dottore en mijn moeder telefoneerde om een ambulance, wat ik niet snapte want iedereen kon zien dat mijn oom morsdood was!
De hond snuffelde even aan het hoofd van oom Rico en begon te huilen als een wolf. Mijn moeder werd er gek van. Ze zette haar nagels in zijn haren en sleepte de jankende hond naar de keuken. Angelo sliep gewoon door.
Oom Giovanni zat op de grond, hij keek dwars door me heen.
Tante Maria zei dat het maar goed was dat oom Rico geen vrouw en kinderen had. Ik dacht eerst dat ze dat lief bedoelde, maar toen zei ze dat hij veel geld had en dat dat dan mooi opgesplitst kon worden. Tante Tina sloeg haar met platte hand in het gezicht, op die baardharen, en zei met snerpende stem dat oom Rico net dood was en zelfs nog niet onder de grond. Iedereen schreeuwde door elkaar heen.

Intussen wist ik mijn blik niet af te wenden van oom Rico. Ik kon hem zo aanraken als ik wou, ik wou niet. Ik had nog nooit een dode gezien en nu kreeg ik er een voor mijn verjaardag. Bij die gedachte moest ik giechelen.
Zou hij helemaal niets meer horen of zien? Misschien stond hij wel een eindje verderop als geest en zag zichzelf liggen. Zou hij dan weten dat hij dood was of zou hij zich doodschrikken? Ik lachte weer en beet hard op mijn lip om die te onderdrukken, omdat ik me voor mijn bizarre gedachten schaamde.

Ik hoorde de sirenes van de ambulance. De dokter kwam ook binnen, samen met een politieagent.
Tante Maria informeerde de agent, haar Nederlands doorspekt met Italiaans; ik begreep niet dat hij dat allemaal verstond. De arts onderzocht oom Rico. Hartaanval, zei hij en vulde formulieren in. De ambulance ging weer weg. Tante Tina riep dat we deze datum nooit meer zouden vergeten: Hoe kunnen we nu ooit nog oud en nieuw vieren?
Oom Rico werd door de lijkwagen opgehaald. Mijn familie was eindelijk stil, behalve tante Tina.

Tante Lola trok mijn neefje onder de tafel uit en knelde hem tussen haar borsten. Hij was nog steeds niet wakker. Iedereen ging naar huis, de feestvreugde voorbij.
Toen zag ik hoe mijn moeder naast mij knielde. Ze had een groot stuk schuurpapier in haar hand en schuurde fanatiek het bloed van het parket.
Ik nieste door het stof. Toen zag ze mij, toen pas, en ik zag haar tranen. Ze kroop bij me onder de tafel en wiegde me heen en weer alsof ik een baby was.
Ineens voelde ik haar verstijven. Ik schrok. Zag ze de geest van oom Rico? Ze klemde haar armen hard om me heen, ik stikte bijna, en ze snufte in mijn oor: Gelukkige verjaardag, schat!



ds